Instrukcja obsługi BMW F 850 GS (2021)

BMW Silnik F 850 GS (2021)

Przeczytaj poniżej 📖 instrukcję obsługi w języku polskim dla BMW F 850 GS (2021) (243 stron) w kategorii Silnik. Ta instrukcja była pomocna dla 16 osób i została oceniona przez 2 użytkowników na średnio 4.5 gwiazdek

Strona 1/243
HANDLEIDING
F 850 GS
BMW
MOTORRAD
MAKE LIFE A RIDE
Voertuiggegevens
Model
Voertuigidentificatienummer
Kleurnummer
Afgiftedatum kentekenbewijs deel 1
Kenteken
Dealergegevens
Contactpersoon in de werkplaats
Mevrouw/de heer
Telefoonnummer
Dealeradres/telefoon (firmastempel)
UW BMW.
Wij zijn blij dat u voor een voertuig van BMW Motorrad hebt ge-
kozen en begroeten u in de kring van BMW rijders. Maakt u zich
vertrouwd met uw nieuwe voertuig, zodat u zich zeker en veilig
in het verkeer kunt bewegen.
Over deze handleiding
Lees deze handleiding door voordat u uw nieuwe BMW start.
Hierin vindt u belangrijke opmerkingen over de bediening van het
voertuig die het u mogelijk maken van alle technische voordelen
van uw BMW te profiteren.
Daarnaast ontvangt u informatie over het onderhoud en de ver-
zorging die de gebruiks- en verkeersveiligheid en een zo goed
mogelijk waardebehoud van uw voertuig bevordert.
Als u uw BMW ooit wilt verkopen, vergeet dan niet ook de hand-
leiding te overhandigen. Deze vormt een belangrijk onderdeel
van uw voertuig.
Veel plezier met uw BMW en een goede en veilige rit wordt u
toegewenst door
BMW Motorrad.
01 ALGEMENE
AANWIJZINGEN 2
Oriëntatie 4
Afkortingen en symbo-
len 4
Uitvoering 5
Technische gegevens 5
Actualiteit 6
Meer informatiebronnen 6
Certificaten en type-
goedkeuringen 6
Gegevensgeheugen 6
Intelligent noodop-
roepsysteem 12
02 OVERZICHTEN 16
Totaalaanzicht links 18
Totaalaanzicht rechts 19
Onder de buddyseat 20
Combischakelaar links 21
Combischakelaar
rechts 22
Combischakelaar
rechts 23
Instrumentenpaneel 24
03 AANDUIDINGEN 26
Controle- en waarschu-
wingslampjes 28
TFT-display in het aan-
zicht Pure Ride 29
TFT-display in het me-
nuscherm 30
Controlelampjes 31
04 GEBRUIK 58
Contact-stuurslot 60
Contact met Key-
less Ride 61
Elektronische wegrij-
beveiliging EWS 65
Nooduitschakelings-
schakelaar 66
Intelligente noodop-
roep 66
Verlichting 69
Dagrijlicht 70
Alarmlichtinstallatie 72
Richtingaanwijzers 73
Tractiecontrole (DTC) 74
Elektronische onder-
stelinstelling (D-ESA) 75
Rijmodus 77
Rijmodus PRO 79
Cruise control 81
Diefstalbeveiligingsin-
stallatie (DWA) 83
Bandenspanningscon-
trole (RDC) 86
Handvatverwarming 87
Buddyseat 87
05 TFTDISPLAY 90
Algemene
aanwijzingen 92
Principe 93
Aanzicht Pure Ride 100
Algemene instellingen 101
Bluetooth 102
Mijn voertuig 106
Boordcomputer 109
Navigatie 109
Media 112
Telefoon 113
Softwareversie weer-
geven 113
Licentie-informatie
weergeven 114
06 INSTELLING 116
Spiegels 118
Koplamp 118
Kuipruit 119
Koppeling 119
Rem 120
Veervoorspanning 121
Demping 122
07 RIJDEN 124
Veiligheidsaanwijzin-
gen 126
Regelmatige controle 130
Starten 131
Inrijden 134
Schakelen 134
Terreingebruik 135
Remmen 137
Motorfiets neerzetten 139
Tanken 140
Motorfiets voor
transport bevestigen 145
08 TECHNIEK IN
DETAIL 148
Algemene
aanwijzingen 150
Antiblokkeersysteem
(ABS) 150
Tractiecontrole (DTC) 153
Motorsleepmoment-
regeling 155
Dynamic ESA 155
Rijmodus 156
Dynamic Brake Con-
trol 158
Bandenspanningscon-
trole RDC 159
Schakelassistent 161
09 ONDERHOUD 164
Algemene
aanwijzingen 166
Boordgereedschap 167
Onderhoudsgereed-
schapsset 167
Voorwielstandaard 168
Achterwielstandaard 168
Motorolie 169
Remsysteem 171
Koppeling 175
Koelvloeistof 176
Banden 178
Velgen 179
Wielen 179
Ketting 190
Luchtfilter 193
Verlichtingstype 194
Kuipdelen 196
Starthulp 196
Accu 198
Zekeringen 201
Diagnosestekker 203
10 ACCESSOIRES 206
Algemene
aanwijzingen 208
Contactdozen 208
USBlaadaansluiting 209
Koffers 210
Topcase 213
Navigatiesysteem 217
11 VERZORGING 224
Onderhoudsmiddelen 226
Wassen 226
Reiniging kwetsbare
motorfietsonderdelen 227
Lakonderhoud 229
Conservering 229
Motorfiets buiten ge-
bruik stellen 229
Motorfiets in gebruik
nemen 230
12 TECHNISCHE
GEGEVENS 232
Storingstabel 234
Boutverbindingen 236
Brandstof 238
Motorolie 238
Motor 239
Koppeling 240
Transmissie 240
Cardan 240
Frame 241
Rijwielgedeelte 241
Remmen 242
Wielen en banden 242
Elektrische installatie 243
Maten 245
Gewichten 246
Rijgegevens 246
13 SERVICE 248
BMW Motorrad
Service 250
BMW Motorrad on-
derhoudshistorie 250
BMW Motorrad mo-
biliteitsdiensten 251
Onderhoudswerk-
zaamheden 251
Onderhoudsschema 253
Onderhoudsbevesti-
gingen 254
Servicebevestigingen 266
BIJLAGE 268
Declaration of Con-
formity 269
Certificaat voor elek-
tronische wegrijbe-
veiliging 274
Certificaat voor Key-
less Ride 277
Certificaat voor ban-
denspanningscontrole 281
Certificaat voor TFT-
instrumentenpaneel 282
TREFWOORDENRE-
GISTER 286
ALGEMENE
AANWIJZINGEN
01
ORIËNTATIE 4
AFKORTINGEN EN SYMBOLEN 4
UITVOERING 5
TECHNISCHE GEGEVENS 5
ACTUALITEIT 6
MEER INFORMATIEBRONNEN 6
CERTIFICATEN EN TYPEGOEDKEURINGEN 6
GEGEVENSGEHEUGEN 6
INTELLIGENT NOODOPROEPSYSTEEM 12
4 ALGEMENE AANWIJZINGEN
ORIËNTATIE
In hoofdstuk 2 van deze hand-
leiding vindt u een eerste over-
zicht van uw motorfiets. In het
hoofdstuk Onderhoud worden
alle uitgevoerde onderhouds-
en reparatiewerkzaamheden
gedocumenteerd. Voor cou-
lanceregelingen is het absoluut
noodzakelijk dat kan worden
aangetoond dat de vereiste on-
derhoudswerkzaamheden zijn
uitgevoerd.
Indien u uw BMW op een dag
wilt verkopen, denk er dan aan
om ook de handleiding mee
te geven aan de nieuwe eige-
naar; deze vormt namelijk een
belangrijk onderdeel van uw
motorfiets.
AFKORTINGEN EN SYMBO-
LEN
VOORZICHTIG Gevaar
met laag risico. Niet voor-
komen kan licht tot matig letsel
veroorzaken.
WAARSCHUWING Ge-
vaar met gemiddeld risico.
Niet voorkomen kan de dood
of ernstig letsel veroorzaken.
GEVAAR Gevaar met
hoog risico. Niet voor-
komen veroorzaakt de dood of
ernstig letsel.
ATTENTIE Bijzondere
aanwijzingen en veilig-
heidsmaatregelen. Niet opvol-
gen kan het voertuig of acces-
soires beschadigen en daarmee
tot uitsluiting van de garantie
leiden.
Speciale aanwijzingen
voor een betere hante-
ring bij bedienings-, controle-
en afstelprocedures alsmede
verzorgingswerkzaamheden.
Werkinstructie.
Resultaat van een re-
paratieactiviteit.
Verwijst naar een pa-
gina met extra infor-
matie.
Geeft het einde van
accessoire- of uitrus-
tingsafhankelijke infor-
matie aan.
Aanhaalmoment.
Technische gegevens.
LU Landuitvoering.
5
SU Speciale uitrusting.
BMW Motorrad speci-
ale uitrustingen wor-
den al bij de productie
van de voertuigen in-
gebouwd.
OA Optionele accessoires.
BMW Motorrad
optionele accessoires
kunnen bij uw
BMW Motorrad
Partner worden
verkregen en achteraf
worden gemonteerd.
ABS Antiblokkeersysteem.
D-ESA Elektronische onder-
stelinstelling.
DTC Dynamische tractie-
controle.
DWA Diefstalbeveiligingsin-
stallatie.
EWS Elektronische wegrij-
beveiliging.
RDC Bandenspanningscon-
trole.
UITVOERING
Bij de aanschaf van uw
BMW Motorrad hebt u gekozen
voor een model met een
individuele uitvoering. Deze
handleiding beschrijft door
BMW aangeboden speciale
opties (SU) en geselecteerde
optionele accessoires (OA). Wij
vragen uw begrip voor het feit
dat er ook uitrustingsvarianten
worden beschreven die u mo-
gelijk niet hebt geselecteerd.
Tevens zijn landspecifieke
afwijkingen van de afgebeelde
motorfiets mogelijk.
Als uw motorfiets niet beschre-
ven uitrustingen bevat, vindt u
de beschrijving ervan in een af-
zonderlijke handleiding.
TECHNISCHE GEGEVENS
Alle gegevens t.a.v. maten, ge-
wichten en prestaties in de
handleiding hebben betrekking
op het Deutsches Institut für
Normung e. V. (DIN) en zijn in-
clusief de hierdoor gehanteerde
toleranties.
Technische gegevens en
specificatie in deze handleiding
dienen ter indicatie. De
voertuigspecifieke gegevens
kunnen daarvan afwijken, bijv.
op grond van geselecteerde
speciale uitrustingen, de
landuitvoering of landspecifieke
meetprocedures. Gedetail-
leerde waarden kunnen aan de
kentekenbewijsdocumenten
worden ontleend of bij uw
BMW Motorrad Partner of
een andere gekwalificeerde
6 ALGEMENE AANWIJZINGEN
servicepartner of een vakwerk-
plaats worden opgevraagd. De
specificaties in de voertuigpa-
pieren hebben steeds prioriteit
boven de specificaties in deze
handleiding.
ACTUALITEIT
Het hoge veiligheids- en kwali-
teitsniveau van BMW motorfiet-
sen wordt door een continue
doorontwikkeling van de con-
structie, uitvoering en acces-
soires gegarandeerd. Hierdoor
kunnen eventuele afwijkingen
tussen deze handleiding en uw
motorfiets ontstaan. Ook ver-
gissingen kan BMW Motorrad
niet uitsluiten. Daarom ver-
zoeken wij u er begrip voor
te hebben dat eventuele aan-
spraken op grond van de in
deze handleiding voorkomende
gegevens, afbeeldingen en be-
schrijvingen niet kunnen wor-
den aanvaard.
MEER
INFORMATIEBRONNEN
BMW Motorrad Partner
Bij eventuele vragen is uw
BMW Motorrad Partner u graag
van dienst.
Internet
U vindt de handleiding voor
uw voertuig, bedienings-
en inbouwhandleidingen
voor mogelijke accessoires
en algemene informatie
over BMW Motorrad, bijv.
over de techniek, op
bmw-motorrad.com/manuals.
CERTIFICATEN EN TYPE-
GOEDKEURINGEN
U vindt de certificaten voor het
voertuig en de officiële type-
goedkeuring voor mogelijke
accessoires op
bmw-motorrad.com/certifica-
tion.
GEGEVENSGEHEUGEN
Algemeen
In het voertuig zijn regeleenhe-
den gemonteerd. Regeleenhe-
den verwerken gegevens die
ze bijv. ontvangen van voer-
tuigsensoren, zelf genereren
of onderling uitwisselen. Som-
mige regeleenheden zijn nodig
voor het veilig functioneren van
het voertuig of ondersteunen
bij het rijden, bijv. hulpsyste-
men. Daarenboven maken re-
geleenheden comfort- of Info-
tainmentfuncties mogelijk.
Informatie over opgeslagen of
uitgewisselde gegevens is ver-
7
krijgbaar bij de fabrikant van
het voertuig, bijv. via een af-
zonderlijke brochure.
Persoonsgebondenheid
Elk voertuig is voorzien van een
eenduidig voertuigidentifica-
tienummer. Landspecifiek kan
met behulp van het voertuigi-
dentificatienummer, het ken-
teken en de verantwoordelijke
autoriteiten de voertuigbezit-
ter worden bepaald. Bovendien
zijn er andere mogelijkheden
om uit de in het voertuig ver-
gaarde gegevens de rijder of
voertuigbezitter af te leiden,
bijv. via de ConnectedDrive ac-
count die wordt gebruikt.
Rechten m.b.t.
gegevensbeveiliging
Voertuiggebruikers hebben
conform het geldende recht
inzake gegevensbeveiliging be-
paalde rechten ten aanzien van
de fabrikant van het voertuig
of ten aanzien van onderne-
mingen die persoonsgebonden
gegevens vergaren of verwer-
ken.
Voertuiggebruikers hebben een
kosteloos en omvattend recht
op informatie ten aanzien van
instanties die persoonsgebon-
den gegevens over de voertuig-
gebruiker opslaan.
Deze instanties kunnen zijn:
Fabrikant van het voertuig
Gekwalificeerde servicepart-
ners
Vakwerkplaatsen
Serviceproviders
Voertuiggebruikers mogen vra-
gen om informatie welke per-
soonsgebonden gegevens zijn
opgeslagen, voor welk doel de
gegevens worden gebruikt en
waarvandaan de gegevens af-
komstig zijn. Voor het verkrij-
gen van deze informatie moet
een bewijs van houderschap of
gebruik worden overlegd.
Het recht op informatie om-
vat tevens informatie met be-
trekking tot gegevens die aan
andere ondernemingen of in-
stanties zijn doorgegeven.
Op de webpagina van de fa-
brikant van het voertuig vindt
u de telkens toepasselijke pri-
vacyverklaringen. Deze priva-
cyverklaringen bevatten infor-
matie over het recht op wissen
of corrigeren van gegevens.
De fabrikant van het voertuig
vermeldt op internet ook zijn
contactgegevens en die van de
toezichthouder voor gegevens-
bescherming.
De voertuigeigenaar kan bij
een BMW Motorrad Partner
of een andere gekwalificeerde
8 ALGEMENE AANWIJZINGEN
servicepartner of een vakwerk-
plaats eventueel tegen betaling
de in het voertuig opgeslagen
gegevens laten uitlezen.
Voor het uitlezen wordt de
wettelijk voorgeschreven stek-
ker voor On-Board-Diagnose
(OBD) in het voertuig gebruikt.
Wettelijke vereisten inzake
de openbaarmaking van
gegevens
De fabrikant van het voertuig is
in het kader van het geldende
recht verplicht om bij hem op-
geslagen gegevens aan de au-
toriteiten beschikbaar te stel-
len. Dit beschikbaar stellen van
gegevens in de vereiste mate
gebeurt in specifieke gevallen,
bijv. voor het ophelderen van
een misdrijf.
Overheidsinstanties zijn in het
kader van het geldende recht
bevoegd om in specifieke ge-
vallen zelf gegevens uit het
voertuig uit te lezen.
Bedrijfsgegevens in het
voertuig
Voor het bedrijf van het voer-
tuig verwerken regeleenheden
gegevens.
Hiertoe behoren bijv.:
statusmeldingen van het voer-
tuig en de afzonderlijke com-
ponenten ervan, bijv. wieltoe-
rental, wielomtreksnelheid,
bewegingsvertraging
omgevingsfactoren, bijv. tem-
peratuur
De verwerkte gegevens worden
alleen in het voertuig zelf ver-
werkt en zijn doorgaans vluch-
tig. De gegevens worden niet
langer dan de bedrijfstijd opge-
slagen.
Elektronische componenten,
bijv. regeleenheden, bevatten
componenten voor het op-
slaan van technische informa-
tie. Deze kunnen informatie
over voertuigtoestand, com-
ponentbelasting, voorvallen of
storingen tijdelijk of permanent
opslaan.
Deze informatie documenteert
in het algemeen de toestand
van een component, een mo-
dule, een systeem of de omge-
ving, bijv.:
bedrijfstoestanden van sys-
teemcomponenten, bijv. vul-
peilen, bandenspanningswaar-
den
storingen en defecten in be-
langrijke systeemcomponen-
ten, bijv. licht en remmen
reacties van het voertuig in
speciale rijsituatie, bijv. active-
9
ren van de rijdynamieksyste-
men
informatie over voorvallen met
schade aan het voertuig
De gegevens zijn noodzakelijk
voor het uitvoeren van de re-
geleenheidfuncties. Bovendien
dienen deze voor het herken-
nen en het verhelpen van sto-
ringen en het optimaliseren van
voertuigfuncties door de fabri-
kant van het voertuig.
Deze gegevens zijn grotendeels
vluchtig en worden in het voer-
tuig zelf verwerkt. Slechts een
klein deel van de gegevens
wordt afhankelijk van de aan-
leiding opgeslagen in voorval-
of storingsgeheugens.
Bij een beroep op onderhouds-
activiteiten, bijv. reparaties, on-
derhoudsprocessen, garantie-
claims en kwaliteitsborgings-
maatregelen, kan deze techni-
sche informatie samen met het
voertuigidentificatienummer uit
het voertuig worden uitgelezen.
Het uitlezen van de informatie
kan door een BMW Motorrad
Partner of een andere gekwali-
ficeerde servicepartner of een
vakwerkplaats gebeuren. Voor
het uitlezen wordt de wettelijk
voorgeschreven stekker voor
On-Board-Diagnose (OBD) in
het voertuig gebruikt.
De gegevens worden door de
betreffende functionarissen
van het dealernetwerk ver-
gaard, verwerkt en gebruikt.
De gegevens documenteren
technische toestanden van het
voertuig, helpen bij het storing-
zoeken, het nakomen van ga-
rantieverplichtingen en bij de
kwaliteitsverbetering.
Daarenboven heeft de fabri-
kant productobservatieplichten
krachtens het productaanspra-
kelijkheidsrecht. Voor het na-
komen van deze plichten heeft
de fabrikant van het voertuig
technische gegevens uit het
voertuig nodig. De gegevens
uit het voertuig kunnen ook
worden gebruikt om garantie-
claims van de klant te controle-
ren.
Storings- en voorvalgeheugens
in het voertuig kunnen in het
kader van reparatie- of ser-
vicewerkzaamheden bij een
BMW Motorrad Partner of een
andere gekwalificeerde service-
partner of een vakwerkplaats
worden teruggezet.
Gegevensinvoer en
gegevensoverdracht in het
voertuig
Algemeen
Afhankelijk van de uitvoering
kunnen comfortinstellingen en
10 ALGEMENE AANWIJZINGEN
persoonlijke instellingen in het
voertuig worden opgeslagen en
te allen tijde worden gewijzigd
of gereset.
Hiertoe behoren bijv.:
Instellingen van de kuipruit-
stand
Onderstelinstellingen
Gegevens kunnen evt. in het
entertainment- en communi-
catiesysteem van het voertuig
worden ingevoerd, bijv. via een
smartphone.
Daartoe behoren afhankelijk
van de betreffende uitvoering:
Multimediagegevens, zoals
muziek voor afspelen
Adresboekgegevens voor ge-
bruik in combinatie met een
communicatiesysteem of een
geïntegreerd navigatiesys-
teem
Ingevoerde navigatiebestem-
mingen
Gegevens m.b.t. het gebruik
van internetservices. Deze
gegevens kunnen lokaal in
het voertuig worden opgesla-
gen, of ze staan op een ap-
paraat dat met het voertuig is
verbonden, bijv. smartphone,
USB-stick, MP3-speler. Als
deze gegevens in het voertuig
worden opgeslagen, kunnen
deze te allen tijde worden ge-
wist.
Deze gegevens worden uitslui-
tend op persoonlijke wens in
het kader van het gebruik van
onlinediensten doorgegeven
aan derden. Dit is afhankelijk
van de geselecteerde instel-
lingen bij het gebruik van de
diensten.
Integratie van mobiele eind-
apparaten
Afhankelijk van de uitvoering
kunnen met het voertuig ver-
bonden mobiele eindappara-
ten, bijv. smartphones, via de
bedieningselementen van het
voertuig worden aangestuurd.
Daarbij kunnen beeld en ge-
luid van het mobiele eindappa-
raat via het multimediasysteem
worden uitgevoerd. Tegelijker-
tijd wordt er bepaalde infor-
matie aan het mobiele eindap-
paraat overgedragen. Afhan-
kelijk van het soort integratie
behoren daartoe bijv. positie-
gegevens en andere algemene
voertuiginformatie. Dit maakt
het optimaal gebruiken van ge-
selecteerde apps mogelijk, bijv.
voor navigatie of het afspelen
van muziek.
Het soort verdere gegevensver-
werking wordt bepaald door de
provider van de desbetreffende
gebruikte app. De omvang van
de mogelijke instellingen hangt
11
af van de betreffende app en
het besturingssysteem van het
mobiele eindapparaat.
Diensten
Algemeen
Als het voertuig een draadloze
verbinding heeft, maakt deze
het uitwisselen van gegevens
tussen het voertuig en andere
systemen mogelijk. De draad-
loze verbinding wordt mogelijk
gemaakt door een zend- en
ontvangstmodule in het voer-
tuig zelf of via persoonlijk in-
gebrachte mobiele eindappa-
raten, bijv. smartphones. Via
deze draadloze verbinding kun-
nen zogenaamde onlinefuncties
worden gebruikt. Dit zijn onder
meer onlinediensten en apps
van de fabrikant van het voer-
tuig of van andere providers.
Diensten van de voertuigfabri-
kant
Bij onlinediensten van de fa-
brikant van het voertuig wor-
den de betreffende functies
beschreven in de betreffende
bron, bijv. handleiding, webpa-
gina van de fabrikant. Deze be-
vat ook de relevante informatie
over rechten m.b.t. gegevens-
beveiliging. Voor het verlenen
van onlinediensten kunne per-
soonsgebonden gegevens wor-
den gebruikt. Gegevens wor-
den uitgewisseld via een veilige
verbinding, bijv. met de daar-
voor bedoelde IT-systemen van
de fabrikant van het voertuig.
Het vergaren, verwerken en ge-
bruiken van persoonsgebon-
den gegevens tot verder dan
het verlenen van diensten ge-
beurt uitsluitend op basis van
een wettelijk toestemming,
een contractuele afspraak of op
grond van een inwilliging. Het
is ook mogelijk om de gehele
gegevensverbinding te laten
activeren of deactiveren. De
wettelijk voorgeschreven func-
ties zijn hiervan uitgesloten.
Diensten van andere providers
Bij het gebruik van onlinedien-
sten van andere providers val-
len deze diensten onder de ver-
antwoordelijkheid en de gege-
vensbeveiligings- en gebruiks-
voorwaarden van de betref-
fende provider. De fabrikant
van het voertuig heeft geen
invloed op de daarbij uitge-
wisselde content. Informatie
over het soort, de omvang en
het doel van het vergaren en
gebruiken van persoonsgebon-
den gegevens in het kader van
diensten van derden kan wor-
den opgevraagd bij de betref-
fende provider.
12 ALGEMENE AANWIJZINGEN
INTELLIGENT NOODOPROEP-
SYSTEEM
met intelligente noodop-
roepSU
Principe
Het intelligente noodoproep-
systeem maakt handmatige of
automatische noodoproepen
mogelijk, bijv. bij ongevallen.
De noodoproepen worden aan-
genomen door een alarmcen-
trale in opdracht van de voer-
tuigfabrikant.
Informatie over de werking van
het intelligente noodoproepsys-
teem en de functies ervan, zie
"Intelligente noodoproep".
Juridische grondslag
De verwerking van persoons-
gebonden gegevens via het in-
telligente noodoproepsysteem
is conform de volgende voor-
schriften:
Bescherming van persoons-
gebonden gegevens: richtlijn
95/46/EG van het Europees
Parlement en de Raad.
Bescherming van persoons-
gebonden gegevens: richtlijn
2002/58/EG van het Euro-
pees Parlement en de Raad.
De juridische grondslag voor
de activering en werking van
het intelligente noodoproepsys-
teem zijn de afgesloten Con-
nectedRide overeenkomst voor
deze functie en de betreffende
wetgeving, verordeningen en
richtlijnen van het Europees
Parlement en de Europese
Raad.
De betreffende verordeningen
en richtlijnen regelen de be-
scherming van natuurlijke per-
sonen bij de verwerking van
persoonsgebonden gegevens.
De verwerking van persoonsge-
bonden gegevens door het in-
telligente noodoproepsysteem
is conform de Europese richt-
lijnen inzake bescherming van
persoonsgebonden gegevens.
Het intelligente noodoproep-
systeem verwerkt persoonsge-
bonden gegevens alleen met
toestemming van de voertuig-
bezitter.
Het intelligente noodoproep-
systeem en andere diensten
met aanvullend nut mogen per-
soonsgebonden gegevens al-
leen verwerken op basis van
de uitdrukkelijke toestemming
van de persoon die de gege-
vensverwerking betreft, bijv. de
voertuigbezitter.
13
SIM-kaart
Het intelligente noodoproep-
systeem werkt draadloos via
de in het voertuig ingebouwde
SIM-kaart. De SIM-kaart is per-
manent aangemeld bij het mo-
biele-telefoonnetwerk, om een
snelle verbindingsopbouw mo-
gelijk te maken. De gegevens
worden bij een noodgeval aan
de voertuigfabrikant verzonden.
Verbetering van de kwaliteit
De bij een noodoproep overge-
dragen gegevens worden door
de fabrikant van het voertuig
ook gebruikt ter verbetering
van de product- en servicekwa-
liteit.
Positiebepaling
De positie van het voertuig kan
op basis van de mobiele-tele-
fooncellen uitsluitend worden
bepaald door de provider van
het mobiele-telefoonnetwerk.
Een koppeling tussen chassis-
nummer en telefoonnummer
van de gemonteerde SIM-kaart
is voor de provider niet mo-
gelijk. Uitsluitend de fabrikant
van het voertuig kan de kop-
peling tussen chassisnummer
en telefoonnummer van de ge-
monteerde SIM-kaart maken.
Log-gegevens van de
noodoproepen
De log-gegevens van de nood-
oproepen worden opgeslagen
in een geheugen in het voer-
tuig. De oudste log-gegevens
worden regelmatig gewist. De
log-gegevens bevatten bijv. in-
formatie over wanneer en waar
er een noodoproep is gedaan.
De log-gegevens kunnen in
uitzonderingsgevallen uit het
voertuiggeheugen worden uit-
gelezen. In dat geval worden
log-gegevens alleen uitgelezen
op gerechtelijk bevel en dit is
alleen mogelijk als de betref-
fende apparaten rechtstreeks
op het voertuig worden aange-
sloten.
Automatische noodoproep
Het systeem is zodanig gecon-
figureerd dat er bij een onge-
val vanaf een zekere mate van
ernst, dat door sensoren in het
voertuig wordt herkend, auto-
matisch een noodoproep wordt
geactiveerd.
Verzonden informatie
Bij een noodoproep door het
intelligente noodoproepsys-
teem wordt dezelfde informa-
tie doorgegeven aan de be-
treffende alarmcentrale als bij
het wettelijk verplichte nood-
14 ALGEMENE AANWIJZINGEN
oproepsysteem eCall aan de
openbare reddingsdienst.
Bovendien wordt door het in-
telligente noodoproepsysteem
de volgende aanvullende infor-
matie aan een alarmcentrale in
opdracht van de voertuigfabri-
kant verzonden en evt. door-
gestuurd aan de openbare red-
dingsdienst:
Ongevalgegevens, bijv. de
door de voertuigsensoren her-
kende botsrichting, om de in-
zetplanning van de reddings-
diensten te vergemakkelijken.
Contactgegevens, zoals het
telefoonnummer van de in-
gebouwde SIM-kaart en het
telefoonnummer van de berij-
der, mits beschikbaar, om zo
nodig snel contact met de bij
het ongeval betrokkene mo-
gelijk te maken.
Gegevensopslag
De gegevens van een geacti-
veerde noodoproep worden
opgeslagen in het voertuig. De
gegevens bevatten informa-
tie over de noodoproep, bijv.
plaats en tijd van de noodop-
roep.
De geluidsopnamen van het
noodoproepgesprek worden
opgeslagen bij de alarmcen-
trale.
De geluidsopnamen van de
klant worden gedurende 24
uur opgeslagen, als er details
van de noodoproep moeten
worden geanalyseerd. Daarna
worden de geluidsopnamen
gewist. De geluidsopnamen
van de medewerker van de
alarmcentrale worden voor
kwaliteitsdoeleinden gedurende
24 uur opgeslagen.
Informatie over
persoonsgebonden gegevens
De in het kader van de intelli-
gente noodoproep verwerkte
gegevens worden uitsluitend
verwerkt voor het doen van de
noodoproep. De fabrikant van
het voertuig verschaft in het ka-
der van de wettelijke verplich-
ting informatie over de door
hem verwerkte en evt. nog op-
geslagen gegevens.
15
OVERZICHTEN
02
TOTAALAANZICHT LINKS 18
TOTAALAANZICHT RECHTS 19
ONDER DE BUDDYSEAT 20
COMBISCHAKELAAR LINKS 21
COMBISCHAKELAAR RECHTS 22
COMBISCHAKELAAR RECHTS 23
INSTRUMENTENPANEEL 24
18 OVERZICHTEN
TOTAALAANZICHT LINKS
1Contactdoos ( 208)
2USB-laadaansluiting
( 209)
3Buddyseatslot ( 87)
4Instelling van de demping
( 122)
5Olievulopening en oliepeil-
staaf ( 169)
19
TOTAALAANZICHT RECHTS
1Instelling van de veervoor-
spanning ( 121)
2Remvloeistofreservoir ach-
ter ( 174)
3Remvloeistofreservoir
voor ( 173)
4Voertuigidentificatienum-
mer, typeplaatje (op het
balhoofd)
5Koelvloeistofpeilweergave
(achter de zijbekleding)
( 176)
20 OVERZICHTEN
ONDER DE BUDDYSEAT
1Boordgereedschap
( 167)
2Tabel met laadvermogens
3Accu ( 198)
4Hoofdzekering ( 201)
5Diagnosestekker
( 203)
6Zekeringen ( 202)
21
COMBISCHAKELAAR LINKS
1Grootlicht en lichtsignaal
( 69)
2Cruise control ( 81)
3Alarmlichtinstallatie
( 72)
4DTC ( 74)
5Dynamic ESA ( 75)
6met verstralerSU
Verstralers ( 70).
7Richtingaanwijzers
( 73)
8Claxon
9Tuimeltoets MENU
( 93)
10 Multi-Controller
Bedieningselementen
( 93)
11 Handmatig dagrijlicht
( 70)
22 OVERZICHTEN
COMBISCHAKELAAR RECHTS
met intelligente noodop-
roepSU
1Handvatverwarming be-
dienen ( 87)
2Rijmodus selecteren
( 78)
3Nooduitschakelingsscha-
kelaar ( 66)
4Startknop ( 131)
5SOS-toets
Intelligente noodoproep
( 66)
23
COMBISCHAKELAAR RECHTS
1Handvatverwarming be-
dienen ( 87)
2Rijmodus selecteren
( 78)
3Nooduitschakelingsscha-
kelaar ( 66)
4Startknop ( 131)
24 OVERZICHTEN
INSTRUMENTENPANEEL
1Controle- en waarschu-
wingslampjes ( 28)
2TFT-display ( 29)
( 30)
3DWA-LED ( 84)
met Keyless RideSU
Controlelampje voor de
radiografische sleutel
( 62)
4Fotodiode (voor de aan-
passing van de helderheid
van de instrumentenver-
lichting)
25
AANDUIDINGEN
03
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES 28
TFT-DISPLAY IN HET AANZICHT PURE RIDE 29
TFT-DISPLAY IN HET MENUSCHERM 30
CONTROLELAMPJES 31
28 AANDUIDINGEN
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES
1Richtingaanwijzers links
( 73)
2Grootlicht ( 69)
3Algemeen waarschu-
wingslampje ( 31)
4Richtingaanwijzer rechts
( 73)
5Waarschuwingslampje
storing aandrijfsysteem
( 44)
6DTC ( 53)
7ABS ( 51)
8Handmatig dagrijlicht
( 70)
9met verstraler SU
Verstralers ( 70).
29
TFT-DISPLAY IN HET AANZICHT PURE RIDE
1Bedieningsfocus wijzigen
( 97)
2Toerenteller ( 100)
3Statusregel ( 98)
4Snelheidsmeter
5Rijmodus ( 77)
6Opschakeladvies
( 101)
7Versnellingsindicator, in
de neutrale stand wordt
"N" (neutraal) weergege-
ven.
8Speed Limit Info ( 99)
9Cruise control ( 81)
10 Klok ( 101)
11 Verbindingsstatus
( 103)
12 Stomschakeling ( 101)
13 Bedieningshulp
14 Standen handvatverwar-
ming ( 87)
15 Automatisch dagrijlicht
( 71)
16 Waarschuwing buitentem-
peratuur ( 39)
17 Buitentemperatuur
30 AANDUIDINGEN
TFT-DISPLAY IN HET MENUSCHERM
1Snelheidsmeter
2Cruise control ( 81)
3Speed Limit Info ( 99)
4Rijmodus ( 77)
5Statusregel ( 98)
6Opschakeladvies
( 101)
7Versnellingsindicator, in
de neutrale stand wordt
"N" (neutraal) weergege-
ven.
8Klok ( 101)
9Verbindingsstatus
( 103)
10 Stomschakeling ( 101)
11 Bedieningshulp
12 Standen handvatverwar-
ming ( 87)
13 Automatisch dagrijlicht
( 71)
14 Waarschuwing buitentem-
peratuur ( 39)
15 Buitentemperatuur
16 Menugedeelte
31
CONTROLELAMPJES
Weergave
Waarschuwingen worden door
het betreffende waarschu-
wingslampje weergegeven.
Waarschuwingen worden door
middel van het algemene waar-
schuwingslampje in combina-
tie met een dialoogveld op het
TFT-display weergegeven. Af-
hankelijk van de ernst van de
waarschuwing gaat het alge-
mene waarschuwingslampje
rood of geel branden.
Het algemene waarschu-
wingslampje wordt samen
met de waarschuwing met de
hoogste prioriteit weergegeven.
Een overzicht van de mogelijke
waarschuwingen vindt u op de
volgende pagina's.
Check-Control-display
De meldingen op het display
zien er verschillend uit. Afhan-
kelijk van de prioriteit worden
er verschillende kleuren en te-
kens gebruikt:
Groene CHECK OK : Geen1
melding, waarden optimaal.
Witte cirkel met kleine letter
"i" : Informatie.2
Gele gevarendriehoek :3
Waarschuwingsmelding,
waarde niet optimaal.
Rode gevarendriehoek :3
Waarschuwingsmelding,
waarde kritisch
32 AANDUIDINGEN
Weergave van waarden
De symbolen zien er ver-4
schillend uit. Afhankelijk van
de beoordeling worden er ver-
schillende kleuren gebruikt. In
plaats van numerieke waar-
den met eenheden worden8 7
er ook teksten weergegeven:6
Kleur van het symbool
Groen: ( ) Huidige waardeOK
is optimaal.
Blauw: ( ) Actuele tem-Cold!
peratuur is te laag.
Geel: ( / ) HuidigeLow! High!
waarde is te laag of te hoog.
Rood: ( / ) HuidigeHot! High!
temperatuur of waarde is te
hoog.
Wit: (---) Er is geen geldige
waarde aanwezig. In plaats
van de waarde worden er
streepjes weergegeven.5
De beoordeling van de
afzonderlijke waarden is
deels pas vanaf een bepaalde
ritduur of snelheid mogelijk.
Als een meetwaarde nog niet
weergegeven kan worden, om-
dat niet aan de voorwaarden
voor de meting is voldaan, wor-
den in plaats daarvan streepjes
weergegeven. Zolang er geen
geldige meetwaarde beschik-
baar is, volgt er ook geen be-
oordeling in de vorm van een
gekleurd symbool.
Check-Control-dialoogvenster
Meldingen worden als Check-
Control-dialoogvenster weer-1
gegeven.
Als er meerdere Check-Con-
trol-meldingen met dezelfde
prioriteit aanwezig zijn, wis-
selen de meldingen elkaar op
volgorde van optreden af tot
ze worden bevestigd.
Als het symbool actief2
wordt weergegeven, kan de
melding worden bevestigd
door de Multi-Controller naar
links te drukken.
Check-Control-meldingen
worden dynamisch als extra
tabbladen bij de pagina's in
33
het menu bij-Mijn Motor
gevoegd ( 95). Zolang de
storing aanwezig is, kan de
melding opnieuw worden op-
geroepen.
34 AANDUIDINGEN
Overzicht waarschuwingsindicaties
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
wordt weergege-
ven.
Waarschuwing
buitentempera-
tuur ( 39)
brandt
geel.
Radiog. sleu-
tel niet in be-
reik.
Radiografische
sleutel buiten het
ontvangstbereik
( 39)
brandt
geel.
Keyless Ride
uitgevallen!
Keyless Ride uit-
gevallen ( 40)
brandt
geel.
Batt. radiogr.
sl. bijna leeg.
Batterij van de
radiografische
sleutel vervangen
( 40)
wordt geel weerge-
geven.
Boordnetspanning
te laag ( 40)
Boordnetspan-
ning laag.
brandt
geel.
wordt geel weerge-
geven.
Boordnetspanning
kritisch ( 41)
Boordnetspan-
ning kritiek!
knippert
geel.
wordt geel weerge-
geven.
Laadspanning kri-
tisch ( 41)
Accuspanning
kritiek!
brandt
geel.
De defecte lamp
wordt weergege-
ven.
Lampstoring
( 42)
DWA-accucapa-
citeit zwak.
DWA-accu zwak
( 43)
35
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
DWA-accu ontla-
den.
DWA-accu leeg
( 43)
DWA uitgeval-
len.
DWA uitgevallen
( 43)
brandt
geel.
Koelvloeistof-
temp. te hoog!
Koelvloeistoftem-
peratuur te hoog
( 43)
brandt. Motor! Storing aandrijf-
systeem ( 44)
knippert
rood.
Ernstige sto-
ring in de mo-
torregeling!
Ernstige storing
aandrijfsysteem
( 44)
knippert.
brandt
geel.
Geen communica-
tie met motor-
regeling.
Motorregeling uit-
gevallen ( 45)
brandt
geel.
Storing in de
motorregeling.
Motor in
noodloopfunctie
( 45)
knippert
rood.
Ernstige sto-
ring in de mo-
torregeling!
Ernstige storing in
de motorregeling
( 45)
brandt
geel.
wordt geel weerge-
geven.
Bandenspanning
in het grensge-
bied van de toe-
laatbare tolerantie
( 47)
Bandenspanning
niet op voorge-
schr.
brandt
geel.
wordt geel weerge-
geven.
Bandenspanning
buiten de toelaat-
bare tolerantie
( 48)
36 AANDUIDINGEN
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
Bandenspanning
niet op voorge-
schr.
Bandenspanning
buiten de toelaat-
bare tolerantie
( 48)
Ban-
densp.controle.
Drukverlies.
" "--- Overdrachtssto-
ring ( 49)
brandt
geel.
" "--- Sensor defect of
systeemstoring
( 49)
Batterij RDC-
sensoren bijna
leeg.
Batterij van de
bandenspannings-
sensor bijna leeg
( 50)
brandt
geel.
Banden-
spann.controle
uitgevallen!
Bandenspan-
ningscontrole
(RDC) uitgeval-
len ( 50)
brandt
geel.
Valsensor de-
fect.
Valsensor defect
( 50)
brandt
geel.
Noodoproep uit-
gevallen.
Noodoproepfunc-
tie beperkt be-
schikbaar ( 51)
brandt
geel.
Bewaking zij-
standaard de-
fect.
Zijstandaardbe-
waking defect
( 51)
knippert. ABS-zelfdiagnose
niet beëindigd
( 51)
brandt
geel.
ABS beperkt be-
schikbaar!
ABS-storing
( 51)
37
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
brandt. ABS-storing
( 51)
brandt
geel.
ABS uitgeval-
len!
ABS uitgevallen
( 52)
brandt.
brandt
geel.
ABS Pro uitge-
vallen!
ABS Pro uitgeval-
len ( 52)
brandt.
knippert
snel.
DTC-ingreep
( 53)
knippert
langzaam.
DTC-zelfdiagnose
niet beëindigd
( 53)
brandt. Off! DTC uitgescha-
keld ( 53)
Tractierege-
ling gedeacti-
veerd.
brandt
geel.
Tractiecon-
trole beperkt!
DTC beperkt be-
schikbaar ( 53)
brandt.
brandt
geel.
Tractierege-
ling uitgeval-
len!
DTC-storing
( 54)
brandt.
brandt
geel.
Veerpootver-
stelling de-
fect!
DESA-storing
( 54)
38 AANDUIDINGEN
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
Brandstofreserve
bereikt. Meteen
naar tankstation rij-
den
Brandstofreserve
bereikt ( 55)
knippert. Versnelling niet
ingeleerd ( 55)
knippert
groen.
Alarmknipperlich-
ten ingeschakeld
( 55)
knippert
groen.
wordt wit weerge-
geven.
Onderhoud nodig
( 56)
Onderhoud no-
dig!
brandt
geel.
wordt geel weerge-
geven.
Onderhoudsaf-
spraak overschre-
den ( 56)
Onderhoud te
laat!
39
Buitentemperatuur
De buitentemperatuur wordt
op de statusregel van het TFT-
display weergegeven.
Als het voertuig stilstaat kan
de warmte van de motor de
meting van de omgevingstem-
peratuur beïnvloeden. Als de
invloed van de motorwarmte te
groot wordt, verschijnen er tij-
delijk streepjes in plaats van de
waarde.
Als de buitentemperatuur
tot onder de volgende
grenswaarde zakt, is er gevaar
voor ijzelvorming.
Grenswaarde voor de
buitentemperatuur
Circa 3 °C
Bij het eerste dalen tot onder
deze temperatuur knippert de
buitenthermometer met het
ijskristalsymbool op de status-
regel van het TFT-display.
Waarschuwing
buitentemperatuur
wordt weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De bij de motorfiets gemeten
omgevingstemperatuur is lager
dan 3 °C.
WAARSCHUWING
Gevaar op ijzel ook boven
3 °C
Gevaar voor ongevallen
Bij lage buitentemperaturen
moet op bruggen en scha-
duwrijke wegen rekening
worden gehouden met glad-
heid.
Vooruitziend rijden.
Radiografische sleutel buiten
het ontvangstbereik
met Keyless RideSU
brandt geel.
Radiog. sleutel niet
in bereik. Contact
opnieuw inschakelen niet
mogelijk.
Mogelijke oorzaak:
Storing van de communicatie
tussen radiografische sleutel en
motorelektronica.
Batterij in de radiografische
sleutel controleren.
met Keyless RideSU
Batterij van de radiografische
sleutel vervangen ( 64).
Reservesleutel voor de rest
van de rit gebruiken.
met Keyless RideSU
Batterij van radiografische
sleutel is leeg of verlies van
40 AANDUIDINGEN
de radiografische sleutel
( 63).
Blijf rustig als tijdens de rit
het Check-Control-dialoog-
venster verschijnt. U kunt
doorrijden, de motor wordt
niet uitgeschakeld.
Defecte radiografische sleu-
tel door een BMW Motorrad
Partner laten vervangen.
Keyless Ride uitgevallen
brandt geel.
Keyless Ride uit-
gevallen! Motor
niet afzetten. Evt.
geen nieuwe motorstart
mogelijk.
Mogelijke oorzaak:
De Keyless Ride-regeleenheid
heeft een communicatiestoring
geregistreerd.
De motor niet afzetten. Zo
snel mogelijk een vakwerk-
plaats opzoeken, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
Het starten van de motor kan
niet meer met Keyless Ride
worden ingeschakeld.
DWA niet meer activeerbaar.
Batterij van de radiografische
sleutel vervangen
met Keyless RideSU
brandt geel.
Batt. radiogr. sl.
bijna leeg. Centrale
vergrendeling beperkt.
Batterij vervangen.
Mogelijke oorzaak:
De batterij van de radiografi-
sche sleutel heeft niet meer
de volledige capaciteit. De
werking van de radiografische
sleutel is nog voor een be-
perkte tijd gewaarborgd.
Batterij van de radiografische
sleutel vervangen ( 64).
Boordnetspanning te laag
wordt geel weergegeven.
Boordnetspanning
laag. Onnodige ver-
bruikers uitschakelen.
De boordnetspanning is te laag.
Bij verder rijden ontlaadt de
voertuigelektronica de accu.
Mogelijke oorzaak:
Verbruikers met hoog stroom-
verbruik, bijv. verwarmingsves-
ten in gebruik, te veel verbrui-
kers tegelijkertijd in gebruik, of
accu defect.
41
Niet benodigde verbruikers
uitschakelen of losnemen van
boordnet.
Wanneer de storing nog
steeds aanwezig is, of
optreedt zonder dat ver-
bruikers zijn aangesloten,
de storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Boordnetspanning kritisch
brandt geel.
wordt geel weergegeven.
Boordnetspanning
kritiek! Verbrui-
kers zijn uitgeschakeld.
Accutoestand controle-
ren.
WAARSCHUWING
Uitval van de voertuigsyste-
men
Gevaar voor ongevallen
Niet verder rijden.
De boordnetspanning is kri-
tisch. Bij verder rijden ontlaadt
de voertuigelektronica de accu.
Mogelijke oorzaak:
Verbruikers met hoog stroom-
verbruik, bijv. verwarmingsves-
ten in gebruik, te veel verbrui-
kers tegelijkertijd in gebruik, of
accu defect.
Niet benodigde verbruikers
uitschakelen of losnemen van
boordnet.
Wanneer de storing nog
steeds aanwezig is, of
optreedt zonder dat ver-
bruikers zijn aangesloten,
de storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Laadspanning kritisch
knippert geel.
wordt geel weergegeven.
Accuspanning kri-
tiek! Gevaar voor
ongevallen. Niet verder
rijden.
WAARSCHUWING
Uitval van de voertuigsyste-
men
Gevaar voor ongevallen
Niet verder rijden.
42 AANDUIDINGEN
De accu wordt niet opgeladen.
Bij verder rijden ontlaadt de
voertuigelektronica de accu.
Mogelijke oorzaak:
Dynamo resp. dynamo-aan-
drijving defect, accu defect of
zekering doorgebrand.
De storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Lampstoring
brandt geel.
De defecte lamp wordt
weergegeven:
Grootlicht defect!
Richtingaanwijzer
linksvoor defect!
c.q. Richtingaanwijzer
rechtsvoor defect!
Dimlicht defect!
Stadslicht voor de-
fect!
met dagrijlichtSU
Dagrijlicht
defect!
Achterlicht defect!
Remlicht defect!
met verstralerSU
Verstraler links de-
fect! Verstralerof
rechts defect!
Richtingaanwijzer
linksachter defect!
c.q. Richtingaanwijzer
rechtsachter defect!
Kentekenverlichting
defect!
Door specialist laten
controleren.
WAARSCHUWING
De motorfiets wordt niet ge-
zien in het wegverkeer door
uitvallen van de verlichting
van de motorfiets
Veiligheidsrisico
Defecte lampen zo snel mo-
gelijk vervangen; bij voor-
keur altijd een set geschikte
reservelampen meenemen.
Mogelijke oorzaak:
Lamp defect.
Door middel van een visuele
controle nagaan welke lamp
defect is.
Neem voor het compleet
vervangen van LED-lampen
contact op met een vak-
werkplaats, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
43
DWA-accu zwak
met alarmsysteem (DWA) SU
DWA-accucapaciteit
zwak. Geen beperkin-
gen. Maak een afspraak
bij een specialist.
Deze storingsmelding
wordt gedurende korte
tijd alleen aansluitend op de
Pre-Ride-Check weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De DWA-accu heeft niet meer
zijn volledige capaciteit. De
werking van de DWA is bij een
losgekoppelde motorfietsaccu
nog slechts beperkt gewaar-
borgd.
Neem contact op met een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
DWA-accu leeg
met alarmsysteem (DWA) SU
DWA-accu ontladen.
Autoalarm niet ac-
tief. Maak een afspraak
bij een specialist.
Deze storingsmelding
wordt gedurende korte
tijd alleen aansluitend op de
Pre-Ride-Check weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De DWA-accu heeft geen capa-
citeit meer. De werking van de
DWA is bij een losgekoppelde
voertuigaccu niet meer gewaar-
borgd.
Neem contact op met een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
DWA uitgevallen
met alarmsysteem (DWA) SU
DWA uitgevallen.
Door specialist la-
ten controleren.
Mogelijke oorzaak:
De DWA-regeleenheid heeft
een communicatiestoring gere-
gistreerd.
Contact opnemen met een
vakwerkplaats, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
De DWA kan niet meer wor-
den geactiveerd of gedeacti-
veerd.
Vals alarm mogelijk.
Koelvloeistoftemperatuur te
hoog
brandt geel.
Koelvloeistoftemp.
te hoog! Koelvloei-
stofpeil contr. Voor
afkoeling met deellast
verder rijden.
44 AANDUIDINGEN
ATTENTIE
Rijden met oververhitte mo-
tor
Motorschade
Beslist de hieronder ver-
melde punten in acht ne-
men.
Mogelijke oorzaak:
Koelvloeistofpeil te laag.
Koelvloeistofpeil controleren
( 176).
Als het koelvloeistofpeil te laag
is:
Koelvloeistof bijvullen
( 176).
Mogelijke oorzaak:
Koelvloeistoftemperatuur te
hoog.
Zo mogelijk de motor in deel-
last laten draaien om hem af
te koelen.
In een file de motor uitscha-
kelen, echter het contact aan
laten, zodat de koelventilator
blijft werken.
Als de koelvloeistoftem-
peratuur vaker te hoog is,
de storing zo snel mogelijk
laten verhelpen door een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad dealer.
Storing aandrijfsysteem
brandt.
Motor! Door specia-
list laten controle-
ren.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing vastgesteld die ge-
volgen heeft voor de uitstoot
van schadelijke stoffen en/of
het vermogen.
De storing bij een vakwerk-
plaats laten controleren, bij
voorkeur een BMW Motorrad
Partner.
Verder rijden mogelijk, de uit-
stoot van schadelijke stoffen
ligt boven de voorgeschreven
waarden.
Ernstige storing
aandrijfsysteem
knippert rood.
knippert.
Ernstige storing in
de motorregeling!
Rustig verder rijden
mog. Schade mogelijk.
Door specialist laten
control.
45
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing vastgesteld die tot
ernstige beschadiging van het
uitlaatgassysteem kan leiden.
De storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Het is mogelijk verder te rij-
den, maar dit is niet aan te
raden.
Motorregeling uitgevallen
brandt geel.
Geen communicatie
met motorregeling.
Meerdere syst. betrok-
ken. Rij voorzichtig
naar de dichtstbijz.
specialist.
Motor in noodloopfunctie
brandt geel.
Storing in de mo-
torregeling. Rus-
tig verder rijden mog.
Rij voorzichtig naar de
dichtstbijz. specia-
list.
WAARSCHUWING
Ongebruikelijk rijgedrag tij-
dens de noodfunctie van de
motor
Gevaar voor ongevallen
Sterk accelereren en inhaal-
manoeuvres vermijden.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing geregistreerd. In
uitzonderingsgevallen slaat de
motor af en kan niet meer wor-
den gestart. Anders draait de
motor in de noodfunctie.
Verder rijden mogelijk, het
motorvermogen staat ech-
ter niet zoals gewend ter be-
schikking.
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Ernstige storing in de
motorregeling
knippert rood.
Ernstige storing in
de motorregeling!
Rustig verder rijden
mog. Schade mogelijk.
Door specialist laten
control.
46 AANDUIDINGEN
WAARSCHUWING
Beschadiging van de motor
tijdens noodfunctie
Gevaar voor ongevallen
Langzaam rijden, sterk acce-
lereren en inhaalmanoeuvres
vermijden.
Indien mogelijk, voertuig la-
ten ophalen en storingen
door een specialist laten ver-
helpen, het liefst door een
BMW Motorrad Partner.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing vastgesteld die ern-
stige gevolgstoringen kan ver-
oorzaken. De motor bevindt
zich in de noodloopfunctie.
Hoge belastingen en toeren-
tallen zo mogelijk vermijden.
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Het is mogelijk verder te rij-
den, maar dit is niet aan te
raden.
Bandenspanning
met bandenspanningscontrole
(RDC)SU
Voor de weergave van de
bandenspanningswaarden is
er naast het menupunt MIJN
VOERTUIG en de Check-
Control-meldingen ook de tabel
BANDENSPANNING:
De waarden links hebben be-
trekking op het voorwiel, de
waarden rechts op het achter-
wiel.
Naast de werkelijke banden-
spanningswaarden worden ook
de voorgeschreven banden-
spanningswaarden afhankelijk
van de belading weergegeven.
Meteen na het inschakelen van
het contact worden er alleen
streepjes weergegeven. De
overdracht van de werkelijke
bandenspanningswaarden be-
gint pas nadat de volgende mi-
nimumsnelheid voor het eerst
is overschreden:
47
RDC-sensor is niet actief
min 30 km/h (Pas na over-
schrijding van de minimum-
snelheid verzendt de RDC-
sensor zijn signaal aan het
voertuig.)
De bandenspanningen
worden op het TFT-
display met temperatuur-
compensatie weergegeven
en hebben altijd betrekking
op de volgende luchttempe-
ratuur in de band:
20 °C
Als bovendien het band-
symbool geel of rood
wordt weergegeven, betreft
het een waarschuwing.
De toleranties van de ban-
denspanningen gelden
voor het solo rijden.
Als de betreffende waarde
binnen het grensgebied
van de toelaatbare tolerantie
ligt, brandt bovendien het al-
gemene waarschuwingslampje
geel.
Als de gemeten banden-
spanning buiten de toe-
gestane tolerantie ligt, knippert
het algemene waarschuwings-
lampje rood.
Uitgebreide informatie over de
BMW Motorrad RDC vindt u
in het hoofdstuk Techniek in
detail ( 159).
Bandenspanning in het
grensgebied van de
toelaatbare tolerantie
met bandenspanningscontrole
(RDC) SU
brandt geel.
wordt geel weergegeven.
Bandenspanning niet
op voorgeschr. Ban-
denspanning controle-
ren.
Mogelijke oorzaak:
De gemeten bandenspanning
ligt in het grensgebied van de
toegestane tolerantie.
Bandenspanning corrigeren.
Vóór het aanpassen van de
bandenspanning de informatie
over de temperatuurcompen-
satie en over het aanpassen
van de bandenspanning in het
hoofdstuk Techniek in detail
ter harte nemen:
48 AANDUIDINGEN
Temperatuurcompensatie
( 160)
Aanpassing van de banden-
spanning ( 160)
U vindt de voorgeschreven
bandenspanningswaarden op
de volgende punten:
Achterkant omslag van de
handleiding
Instrumentenpaneel, op het
aanzicht BANDENSPANNING
Aanwijzingsbord onder de
buddyseat
Bandenspanning buiten de
toelaatbare tolerantie
met bandenspanningscontrole
(RDC)SU
brandt geel.
wordt geel weergegeven.
Bandenspanning niet
op voorgeschr. Met-
een stoppen! Banden-
spanning controleren.
Bandensp.controle.
Drukverlies. Meteen
stoppen! Bandenspanning
controleren.
WAARSCHUWING
Bandenspanning buiten de
toelaatbare tolerantie.
Gevaar voor ongevallen, ver-
slechtering van de rijeigen-
schappen van het voertuig.
Rijstijl aanpassen.
Mogelijke oorzaak:
De gemeten bandenspanning
ligt buiten de toegestane tole-
rantie.
Banden op schade en bruik-
baarheid controleren.
Is de band nog bruikbaar:
Bij de volgende gelegenheid
de bandenspanning corrige-
ren.
Vóór het aanpassen van de
bandenspanning de informatie
over de temperatuurcompen-
satie en over het aanpassen
van de bandenspanning in het
hoofdstuk Techniek in detail
ter harte nemen:
Temperatuurcompensatie
( 160)
Aanpassing van de banden-
spanning ( 160)
U vindt de voorgeschreven
bandenspanningswaarden op
de volgende punten:
Achterkant omslag van de
handleiding
Instrumentenpaneel, op het
aanzicht BANDENSPANNING
50 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:
Er zijn wielen zonder RDC-sen-
soren gemonteerd.
De set wielen laten voorzien
van RDC-sensoren.
Mogelijke oorzaak:
1 of 2 RDC-sensoren zijn uit-
gevallen of er is sprake van een
systeemstoring.
De storing bij een specialist
laten controleren, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
Batterij van de
bandenspanningssensor bijna
leeg
met bandenspanningscontrole
(RDC)SU
Batterij RDC-
sensoren bijna leeg.
Functie beperkt. Door
een specialist laten
controleren.
Deze storingsmelding
wordt gedurende korte
tijd alleen aansluitend op de
Pre-Ride-Check weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De batterij van de bandenspan-
ningssensor heeft niet meer
zijn volledige capaciteit. De
werking van de bandenspan-
ningscontrole is nog voor een
beperkte tijd gewaarborgd.
Neem contact op met een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Bandenspanningscontrole
(RDC) uitgevallen
met bandenspanningscontrole
(RDC) SU
brandt geel.
Bandenspann.controle
uitgevallen! Func-
tie beperkt. Door
een specialist laten
controleren.
Mogelijke oorzaak:
De RDC-regeleenheid heeft een
communicatiestoring geregi-
streerd.
Contact opnemen met een
vakwerkplaats, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
Bandenspanningswaarschu-
wingen niet beschikbaar.
Valsensor defect
brandt geel.
Valsensor defect.
Door specialist la-
ten controleren.
51
Mogelijke oorzaak:
De valsensor werkt niet.
Neem contact op met een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Noodoproepfunctie beperkt
beschikbaar
met intelligente noodop-
roep SU
brandt geel.
Noodoproep uitge-
vallen. Maak een af-
spraak bij een specia-
list.
Mogelijke oorzaak:
De noodoproep kan niet au-
tomatisch of niet via BMW tot
stand worden gebracht.
De informatie over de bedie-
ning van de intelligente nood-
oproep vanaf pagina ( 66)
ter harte nemen.
Neem contact op met een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Zijstandaardbewaking defect
brandt geel.
Bewaking zijstan-
daard defect. Ver-
der rijden mogelijk. In
stand motorstop! Door
specialist laten contro-
leren.
Mogelijke oorzaak:
De zijstandaardschakelaar of
de bedrading daarvan is be-
schadigd. De motor wordt uit-
geschakeld als langzamer dan
5 km/h wordt gereden. In dat
geval is rijden niet meer moge-
lijk.
Neem contact op met een
vakwerkplaats, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
ABS-zelfdiagnose niet
beëindigd
knippert.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-functie is niet beschik-
baar, omdat de zelfdiagnose
niet is beëindigd. Voor de con-
trole van de wielsensoren moet
de motorfiets enkele meters rij-
den.
Langzaam wegrijden. Houd er
rekening mee dat tot het af-
sluiten van de zelfdiagnose de
ABS-functie niet beschikbaar
is.
ABS-storing
brandt geel.
brandt.
52 AANDUIDINGEN
ABS beperkt beschik-
baar! Rustig door-
rijden mog. Rij voor-
zichtig naar de dichtst-
bijz. specialist.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-regeleenheid heeft een
storing opgemerkt. De ABS-
functie is beperkt beschikbaar.
Verder rijden mogelijk. Uit-
gebreide informatie over bij-
zondere situaties die tot een
ABS-storingsmelding kun-
nen leiden ter harte nemen
( 151).
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
ABS uitgevallen
brandt geel.
brandt.
ABS uitgevallen!
Rustig doorrijden
mog. Rij voorzichtig
naar de dichtstbijz.
specialist.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-regeleenheid heeft een
storing opgemerkt.
Verder rijden mogelijk. Houd
er rekening mee dat geen
ABS-functie ter beschikking
staat. Nadere informatie over
bijzondere situaties die een
ABS-storingsmelding kunnen
veroorzaken ter harte nemen
( 151).
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
ABS Pro uitgevallen
brandt geel.
brandt.
ABS Pro uitgevallen!
Rustig verder rij-
den mog. Rij voorzich-
tig naar de dichtstbijz.
specialist.
Mogelijke oorzaak:
De ABS Pro-regeleenheid
heeft een storing herkend.
De ABS Pro-functie is niet
beschikbaar. De ABS-functie
blijft beperkt beschikbaar.
ABS ondersteunt alleen bij het
remmen bij rechtuitrijden.
Verder rijden mogelijk.
Nadere informatie over
bijzondere situaties die een
ABS Pro-storingsmelding
kunnen veroorzaken in acht
nemen ( 151).
Storingen zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
53
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
DTC-ingreep
knippert snel.
De DTC heeft een instabiliteit
van het achterwiel herkend en
vermindert het koppel. Het
controle- en waarschuwings-
lampje knippert langer dan dat
de DTC-ingreep duurt. Daar-
mee heeft de rijder ook na de
kritieke rijsituatie nog een opti-
sche bevestiging van de uitge-
voerde regeling.
DTC-zelfdiagnose niet
beëindigd
knippert langzaam.
Mogelijke oorzaak:
DTC-zelfdiagnose niet
voltooid
De DTC-functie is niet be-
schikbaar, omdat de zelf-
diagnose niet is afgesloten.
(Voor de controle van de
wieltoerentalsensoren moet
de motorfiets een minimum-
snelheid met draaiende mo-
tor bereiken: min 5 km/h)
Langzaam wegrijden. Houd er
rekening mee dat tot het af-
sluiten van de zelfdiagnose de
DTC-functie niet beschikbaar
is.
DTC uitgeschakeld
brandt.
Off!
Tractieregeling ge-
deactiveerd.
Mogelijke oorzaak:
Het DTC-systeem is door de
berijder uitgeschakeld.
DTC inschakelen ( 74).
DTC beperkt beschikbaar
brandt geel.
brandt.
Tractiecontrole be-
perkt! Rustig verder
rijden mog. Rij voor-
zichtig naar de dichtst-
bijz. specialist.
Mogelijke oorzaak:
De DTC-regeleenheid heeft een
storing opgemerkt.
54 AANDUIDINGEN
ATTENTIE
Beschadiging van onderde-
len
Beschadiging van bijv. senso-
ren met daaruit resulterende
storingen
Geen voorwerpen onder het
bestuurderszadel of de duo-
buddyseat meenemen.
Boordgereedschap vastzet-
ten.
Giermomentsensor niet be-
schadigen.
Houd er rekening mee dat de
DTC-functie slechts beperkt
werkt.
Verder rijden mogelijk. Uitge-
breide informatie over situa-
ties die tot een DTC-storing
kunnen leiden in acht nemen
( 153).
Storingen zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
DTC-storing
brandt geel.
brandt.
Tractieregeling
uitgevallen! Rustig
doorrijden mog. Rij
voorzichtig naar de
dichtstbijz. specia-
list.
Mogelijke oorzaak:
De DTC-regeleenheid heeft een
storing opgemerkt.
Houd er rekening mee dat de
DTC-functie niet of slechts
beperkt beschikbaar is.
Verder rijden mogelijk. Uitge-
breide informatie over situa-
ties die tot een DTC-storing
kunnen leiden in acht nemen
( 153).
Storingen zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
DESA-storing
brandt geel.
Veerpootverstel-
ling defect! Rus-
tig verder rijden mog.
Rij voorzichtig naar de
dichtstbijz. specia-
list.
Mogelijke oorzaak:
De DESA-regeleenheid heeft
een storing opgemerkt. Oor-
zaken kunnen de demping en/
of de verstelling van de veer
zijn. De motorfiets is in deze
toestand mogelijk zeer hard af-
geveerd en rijdt met name op
slecht wegdek oncomfortabel.
55
Ook kan de veervoorspanning
verkeerd zijn ingesteld.
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Brandstofreserve bereikt
Brandstofreserve bereikt.
Meteen naar tankstation
rijden.
WAARSCHUWING
Onregelmatig draaien, of
uitschakeling van de motor
vanwege brandstofgebrek
Gevaar voor ongevallen, be-
schadiging van de katalysator
De benzinetank niet leegrij-
den.
Mogelijke oorzaak:
In de brandstoftank bevindt
zich maximaal de brandstof-
reserve.
Reservehoeveelheid
Circa 3,5 l
Tanken ( 141).
Versnelling niet ingeleerd
met schakelassistent Pro SU
De versnellingsindicatie
knippert. De schakelassis-
tent Pro is buiten werking.
Mogelijke oorzaak:
met schakelassistent ProSU
De versnellingssensor is niet
volledig ingeleerd.
Naar stationaire stand scha-N
kelen en bij stilstand motor
minstens 10 seconden la-
ten draaien om de stationaire
stand in te leren.
Alle versnellingen met koppe-
lingsbediening schakelen en
telkens gedurende 10 secon-
den met de ingeleerde ver-
snelling rijden.
De versnellingsindicatie stopt
met knipperen als de versnel-
lingssensor is ingeleerd.
Als de versnellingssensor vol-
ledig is ingeleerd, werkt de
schakelassistent Pro zoals be-
schreven ( 161).
Als het inleerproces mislukt,
storing door een specialist
laten verhelpen, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
Alarmknipperlichten
ingeschakeld
knippert groen.
knippert groen.
56 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:
De alarmknipperlichten zijn
door de bestuurder ingescha-
keld.
Alarmlichtinstallatie bedienen
( 72).
Onderhoudsmelding
Als de servicetermijn is
overschreden, gaat naast
de datum resp. de kilometer-
stand ook het algemene waar-
schuwingslampje geel branden.
Als de servicetermijn is over-
schreden, verschijnt er een gele
Check-Control-melding. Bo-
vendien worden de meldin-
gen voor onderhoud, onder-
houdsafspraken en resterende
afstand op de schermmenu's
MIJN VOERTUIG BENO-en
DIGD ONDERHOUD gemarkeerd
met uitroeptekens.
Als de onderhoudsmel-
ding al meer dan één
maand voor de onderhouds-
datum wordt weergegeven,
dan moet de actuele datum op-
nieuw worden ingesteld. Deze
situatie kan zich voordoen wan-
neer de accu losgekoppeld is
geweest.
Onderhoud nodig
wordt wit weergegeven.
Onderhoud nodig! Onder-
houd bij een specialist
laten uitvoeren.
Mogelijke oorzaak:
Onderhoud is vanwege de
rijprestaties of de datum
vereist.
Onderhoud regelmatig door
een specialist laten uitvoe-
ren, bij voorkeur door een
BMW Motorrad dealer.
De bedrijfs- en verkeersveilig-
heid van het voertuig blijven
behouden.
Het best mogelijke waardebe-
houd van het voertuig wordt
verzekerd.
Onderhoudsafspraak
overschreden
brandt geel.
wordt geel weergegeven.
Onderhoud te laat! On-
derhoud bij een specia-
list laten uitvoeren.
Mogelijke oorzaak:
Onderhoud is op basis van de
rijprestaties of de datum te
laat.
Onderhoud regelmatig door
een specialist laten uitvoe-
57
ren, bij voorkeur door een
BMW Motorrad dealer.
De bedrijfs- en verkeersveilig-
heid van het voertuig blijven
behouden.
Het best mogelijke waardebe-
houd van het voertuig wordt
verzekerd.
GEBRUIK
04
CONTACT-STUURSLOT 60
CONTACT MET KEYLESS RIDE 61
ELEKTRONISCHE WEGRIJBEVEILIGING EWS 65
NOODUITSCHAKELINGSSCHAKELAAR 66
INTELLIGENTE NOODOPROEP 66
VERLICHTING 69
DAGRIJLICHT 70
ALARMLICHTINSTALLATIE 72
RICHTINGAANWIJZERS 73
TRACTIECONTROLE (DTC) 74
ELEKTRONISCHE ONDERSTELINSTELLING (D-ESA) 75
RIJMODUS 77
RIJMODUS PRO 79
CRUISE CONTROL 81
DIEFSTALBEVEILIGINGSINSTALLATIE (DWA) 83
BANDENSPANNINGSCONTROLE (RDC) 86
HANDVATVERWARMING 87
BUDDYSEAT 87
60 GEBRUIK
CONTACT-STUURSLOT
Contactsleutel
U ontvangt twee contactsleu-
tels.
Neem bij verlies van een sleutel
a.u.b. de opmerkingen over de
elektronische wegrijblokkering
EWS ( 65) in acht.
Het contactslot, het tankdop-
slot, alsmede het buddyseatslot
worden met dezelfde sleutel
bediend.
met koffer OA
met topcase OA
Desgewenst kunnen ook de als
optie leverbare koffers en de
Topcase met dezelfde sleutel
worden bediend. Hiervoor
contact opnemen met een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad dealer.
Stuurslot vergrendelen
Het stuur tot de aanslag naar
links draaien.
Sleutel in stand draaien,1
hierbij het stuur wat bewe-
gen.
Contact, verlichting en alle
circuits uitgeschakeld.
Stuurslot vastgezet.
De sleutel kan worden verwij-
derd.
Contact inschakelen
Sleutel in stand draaien.1
Stadslicht en alle circuits inge-
schakeld.
De motor kan worden gestart.
Pre-Ride-Check wordt uitge-
voerd. ( 131)
De ABS zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 132)
De DTC-zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 133)
61
Begroetingsverlichting
Het contact inschakelen.
Het stadslicht brandt even.
met dagrijlicht SU
Het dagrijlicht brandt even.
met verstraler SU
De LED-verstralers branden
even.
Contact uitschakelen
Sleutel in stand draaien.1
Verlichting uitgeschakeld.
Stuurslot ontgrendeld.
De sleutel kan worden verwij-
derd.
Beperkt gebruik van accessoi-
res mogelijk.
Accu laden via boordnetcon-
tactdoos mogelijk.
CONTACT MET KEY-
LESS RIDE
met Keyless Ride SU
Contactsleutel
Het controlelampje van
de radiografische sleutel
knippert, zo lang de radiografi-
sche sleutel gezocht wordt.
Hij dooft als de radiografische
sleutel resp. de reservesleutel
wordt gevonden.
Als de radiografische sleutel
resp. de reservesleutel niet
wordt herkend, brandt hij kort.
U ontvangt een radiografische
sleutel en een reservesleutel.
Neem bij verlies van een sleu-
tel de aanwijzingen over de
elektronische wegrijblokkering
(EWS) ( 65) ter harte.
Contact, tankdop en alarmsys-
teem worden aangestuurd met
de radiografische sleutel. Bud-
dyseatslot, topcase en koffers
kunnen handmatig worden be-
diend.
Als de radiografische sleu-
tel buiten het zendgebied
komt (bijv. in de koffer of top-
case) kan de motorfiets niet
worden gestart.
Als de radiografische sleutel
nog steeds niet werkt, wordt
het contact na circa 1,5 minu-
ten uitgeschakeld, om de accu
te ontzien.
We adviseren u de radiografi-
sche sleutel op het lijf te dra-
62 GEBRUIK
gen (bijv. in de jaszak) of de
reservesleutel bij u te dragen.
Bereik van radiografi-
sche Keyless Ride-sleu-
tel
met Keyless Ride SU
Circa 1 m
Stuurslot vergrendelen
Voorwaarde
Stuur is naar links gedraaid.
Radiografische sleutel is in ont-
vangstgebied.
Toets ingedrukt houden.1
Het stuurslot vergrendelt
hoorbaar.
Contact, verlichting en alle
circuits uitgeschakeld.
Om het stuurslot te ontgren-
delen toets kort indrukken.1
Contact inschakelen
Voorwaarde
Radiografische sleutel is in ont-
vangstgebied.
Het contact kan op ma-twee
nieren worden geactiveerd.
Variant 1:
De toets kort indrukken.1
Stadslicht en alle circuits zijn
ingeschakeld.
met dagrijlicht SU
Dagrijlicht is ingeschakeld.
met verstraler SU
LED-verstralers zijn
ingeschakeld.
Pre-Ride-Check wordt uitge-
voerd. ( 131)
De ABS zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 132)
De DTC-zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 133)
Variant 2:
Stuurslot is vergrendeld,
toets ingedrukt houden.1
Het stuurslot wordt ontgren-
deld.
Stadslicht en alle circuits inge-
schakeld.
Pre-Ride-Check wordt uitge-
voerd. ( 131)
De ABS zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 132)
63
De DTC-zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 133)
Contact uitschakelen
Voorwaarde
Radiografische sleutel is in ont-
vangstgebied.
Het contact kan op twee ma-
nieren worden gedeactiveerd.
Variant 1:
De toets kort indrukken.1
Het licht wordt uitgeschakeld.
Stuurslot is ontgrendeld.
Variant 2:
Het stuur tot de aanslag naar
links draaien.
Toets ingedrukt houden.1
Het licht wordt uitgeschakeld.
Het stuurslot wordt vergren-
deld.
Batterij van radiografische
sleutel is leeg of verlies van
de radiografische sleutel
Bij verlies van de sleutel de
aanwijzingen met betrekking
tot de elektronische wegrij-
blokkering (EWS) in acht ne-
men.
Als de radiografische sleutel
tijdens het rijden wordt verlo-
ren, kan het voertuig worden
gestart met de reservesleutel.
Als de batterij van de radio-
grafische sleutel leeg is, kan
het voertuig gestart worden
door de ingeklapte radiografi-
sche sleutel in de ringantenne
onder de buddyseat te steken.
Buddyseat uitbouwen ( 87).
Reservesleutel of lege inge-
klapte radiografische sleutel 1
in de ringantenne steken.2
De reservesleutel resp. de
lege teruggeklapte radio-
grafische sleutel moet in de
opening van de ringantenne
steken.
64 GEBRUIK
Tijd waarbinnen de
motor moet worden
gestart. Daarna moet een
nieuwe ontgrendeling
plaatsvinden.
30 s
Pre-Ride-Check wordt uitge-
voerd.
De sleutel werd herkend.
De motor kan worden gestart.
Motor starten ( 131).
Batterij van de radiografische
sleutel vervangen
Als de radiografische sleutel bij
het kort of lang indrukken van
de toets niet reageert:
De batterij van de radiogra-
fische sleutel heeft niet de
volledige capaciteit.
Batt. radiogr. sl.
bijna leeg. Centrale
vergrendeling beperkt.
Batterij vervangen.
GEVAAR
Inslikken van een batterij
Gevaar voor letsel of levens-
gevaar
Een voertuigsleutel heeft als
batterij een knoopcel. Batte-
rijen of knoopcellen kunnen
worden ingeslikt en binnen
twee uur leiden tot ernstig
of dodelijk letsel, bijv. door
interne verbranding of letsel
door zuur.
Voertuigsleutels en batte-
rijen buiten het bereik van
kinderen bewaren.
Wanneer wordt vermoed
dat een batterij of een
knoopcel is ingeslikt of zich
in een lichaamsdeel bevindt,
direct medische assistentie
zoeken.
Batterij vervangen.
Knop indrukken.1
De sleutelbaard klapt open.
65
Batterijkapje naar boven2
drukken.
De batterij uitbouwen.3
De oude batterij volgens de
wettelijke bepalingen afvoe-
ren, de batterij niet met het
huisvuil weggooien.
ATTENTIE
Ongeschikte of onjuist ge-
plaatste batterijen
Onderdeelschade
Voorgeschreven batterij ge-
bruiken.
Bij het plaatsen van de bat-
terij op de juiste polariteit
letten.
De nieuwe batterij met de
pluspool naar boven aanbren-
gen.
Accutype
Voor Keyless Ride-radiografi-
sche sleutel
CR 2032
Batterijkapje inbouwen.2
De rode LED in het instru-
mentenpaneel knippert.
De radiografische sleutel
werkt weer.
ELEKTRONISCHE WEGRIJBE-
VEILIGING EWS
De elektronica in de motor-
fiets analyseert via een ringan-
tenne in het contactslot de in
de contactsleutel opgeslagen
gegevens. Pas als de sleutel als
"bevoegd" is herkend, geeft de
motorregeleenheid het starten
vrij.
Als er een tweede con-
tactsleutel bevestigd is
aan de contactsleutel/radiogra-
fische sleutel om mee te star-
ten, kan de elektronica "geïrri-
teerd" raken en wordt er geen
toestemming gegeven voor het
starten van de motor.
Bewaar extra contactsleutels
altijd apart van de gebruikte
contactsleutel/radiografische
sleutel.
Mocht u een sleutel verliezen,
dan kunt u deze bij uw
BMW Motorrad Partner laten
blokkeren. Hiervoor moet u
alle andere bij de motorfiets
behorende sleutels meenemen.
Met een geblokkeerde sleutel
kan de motor niet meer wor-
den gestart, maar een geblok-
keerde sleutel kan wel weer
worden vrijgeschakeld.
Contactsleutels zijn alleen via
een BMW Motorrad Partner
66 GEBRUIK
verkrijgbaar. Deze is verplicht
uw legitimatie te controleren,
omdat de sleutels onderdeel
van een veiligheidssysteem vor-
men.
NOODUITSCHAKELINGS-
SCHAKELAAR
1 Nooduitschakelingsscha-
kelaar
WAARSCHUWING
Bedienen van de noodstop-
schakelaar tijdens het rijden
Gevaar voor vallen door blok-
kerend achterwiel
De noodstopschakelaar
nooit tijdens het rijden
bedienen.
Met behulp van de nooduit-
schakelingsschakelaar kan de
motor op eenvoudige wijze
snel worden afgezet.
A Motor uitgeschakeld
B Bedrijfsstand
INTELLIGENTE
NOODOPROEP
met intelligente noodop-
roep SU
Noodoproep via BMW
SOS-toets alleen in geval van
nood indrukken.
Ook als er geen noodoproep
via BMW mogelijk is, kan het
zijn dat er een noodoproep
naar een openbaar alarmnum-
mer wordt gedaan. Dat is on-
der andere afhankelijk van het
mobiele-telefoonnetwerk en de
nationale voorschriften.
De noodoproep werkt onder
ongunstige omstandigheden
om technische redenen niet
altijd, bijv. in gebieden zonder
draadloze ontvangst.
67
Taal voor noodoproep
Aan elk voertuig is, afhankelijk
van de markt waarvoor het is
bestemd, een taal toegewezen.
Het BMW Call Center meldt
zich in deze taal.
De taal voor de noodop-
roep kan alleen door de
BMW Motorrad partner wor-
den gewijzigd. Deze aan het
voertuig toegewezen taal on-
derscheidt zich van de door de
bestuurder selecteerbare dis-
playtalen op het multifunctio-
nele display.
Handmatige noodoproep
Voorwaarde
Er is sprake van een noodgeval.
De motorfiets staat stil. Het
contact is ingeschakeld.
Afdekking openklappen.1
SOS-toets kort indrukken.2
De tijd tot en met het vol-
tooien van de noodoproep
wordt weergegeven. Gedu-
rende deze tijd kan de nood-
oproep geannuleerd worden.
De nooduitschakelingsschake-
laar indrukken om motor uit
te schakelen.
Helm afnemen.
Na het aflopen van de timer
komt er een spraakverbinding
met het BMW Call Center tot
stand.
De verbinding is tot stand ge-
komen.
68 GEBRUIK
Via microfoon en luidspre-3
ker informatie voor de hulp-4
verleningsdiensten doorgeven.
Automatische noodoproep
Na het inschakelen van het
contact is de intelligente nood-
oproep automatisch actief en
reageert deze bij een val.
Noodoproep bij een minder
ernstige val
Er is een zachte val of botsing
herkend.
Er klinkt een geluidssignaal.
De tijd tot en met het vol-
tooien van de noodoproep
wordt weergegeven. Gedu-
rende deze tijd kan de nood-
oproep geannuleerd worden.
Indien mogelijk helm afnemen
en motor uitschakelen.
Er wordt een spraakverbin-
ding met het BMW Call Cen-
ter tot stand gebracht.
De verbinding is tot stand ge-
komen.
Afdekking openklappen.1
Via microfoon en luidspre-3
ker informatie voor de hulp-4
verleningsdiensten doorgeven.
Noodoproep bij een ernstige
val
Er is een ernstige val of bot-
sing herkend.
69
De noodoproep wordt zonder
vertraging automatisch vol-
tooid.
VERLICHTING
Dimlicht en stadslicht
Het stadslicht wordt automa-
tisch tegelijk met het contact
ingeschakeld.
Het stadslicht belast de
accu. Het contact slechts
voor een beperkte tijdsduur
inschakelen.
Het dimlicht wordt onder de
volgende omstandigheden au-
tomatisch ingeschakeld:
Als de motor is gestart.
Als het voertuig bij ingescha-
keld contact wordt verplaatst.
U kunt bij een afgezette
motor het licht inschake-
len, door bij ingeschakeld con-
tact het grootlicht in te schake-
len of het lichtsignaal te bedie-
nen.
met dagrijlichtSU
Overdag kan als alternatief voor
het dimlicht het dagrijlicht wor-
den ingeschakeld.
Grootlicht en lichtsignaal
Contact inschakelen ( 60).
Schakelaar naar voren druk-1
ken om het grootlicht in te
schakelen.
Schakelaar naar achteren1
trekken om het lichtsignaal te
bedienen.
Follow-me-home-verlichting
Het contact uitschakelen.
Direct na het uitschakelen van
het contact de schakelaar 1
naar achteren trekken en vast-
houden, tot de Coming Home
verlichting wordt ingescha-
keld.
De verlichting gaat een mi-
nuut lang aan en wordt auto-
matisch weer uitgeschakeld.
70 GEBRUIK
Dit kan bijv. na het afzetten
van de motorfiets gebruikt
worden om het pad naar de
voordeur te verlichten.
Parkeerlicht
Contact uitschakelen ( 61).
Direct na het uitschakelen van
het contact de toets naar1
links drukken en vasthouden,
tot het parkeerlicht wordt in-
geschakeld.
Contact in- en weer uitscha-
kelen om het parkeerlicht uit
te schakelen.
Verstralers
met verstralerSU
Voorwaarde
De verstralers zijn alleen actief
als het dimlicht actief is.
De verstralers zijn als
mistlampen toegelaten
en mogen alleen bij slechte
weersomstandigheden worden
gebruikt. Het landspecifieke
wegenverkeersreglement in
acht nemen.
Motor starten ( 131).
Toets indrukken om de ver-1
stralers in te schakelen.
Het controlelampje voor
de extra verstraler brandt.
Toets opnieuw indrukken1
om de verstralers uit te scha-
kelen.
DAGRIJLICHT
met dagrijlichtSU
Handmatig dagrijlicht
Voorwaarde
Dagrijlichtautomaat is uitge-
schakeld.
WAARSCHUWING
Inschakelen van het dagrij-
licht in het donker.
Gevaar voor ongevallen
Dagrijlicht niet in het donker
gebruiken.
71
Het dagrijlicht kan in ver-
gelijking met het dimlicht
beter worden waargenomen
door het tegemoetkomend ver-
keer. Daardoor verbetert de
zichtbaarheid overdag.
Motor starten ( 131).
In het menu Instellingen,
Voertuiginstellingen,
Verlichting de functie
Automat. dagrijlicht
uitschakelen. (Voor meer in-
formatie over het principe van
de Multi-Controller, zie hoofd-
stuk TFTdisplay ( 93).)
De toets bedienen, om het1
dagrijlicht in te schakelen.
Het controlelampje voor
het dagrijlicht licht op.
Het dimlicht en het voorste
stadslicht worden uitgescha-
keld.
In het donker of in tunnels:
De toets opnieuw bedie-1
nen, om het dagrijlicht uit te
schakelen en om het dimlicht
en het voorste stadslicht in te
schakelen.
Als bij ingeschakeld
dagrijlicht het grootlicht
wordt ingeschakeld, wordt het
dagrijlicht na circa 2 seconden
uitgeschakeld en worden het
grootlicht, het dimlicht en het
stadslicht voor ingeschakeld.
Als het grootlicht weer wordt
uitgeschakeld, wordt het dagrij-
licht niet automatisch opnieuw
geactiveerd, maar moet dit
handmatig weer worden in-
geschakeld.
Automatisch dagrijlicht
WAARSCHUWING
Automatisch dagrijlicht ver-
vangt niet de persoonlijke
beoordeling van de lichtom-
standigheden
Gevaar voor een ongeval
Het automatische dagrijlicht
uitschakelen bij slechte licht-
omstandigheden.
De omschakeling tussen
dagrijlicht en dimlicht, incl.
stadslicht voor kan automatisch
gebeuren.
In het menu Instellingen,
Voertuiginstellingen,
Verlichting de functie
72 GEBRUIK
Automat. dagrijlicht
inschakelen.
Het controlelampje voor
het automatische dagrij-
licht licht op.
Als het omgevingslicht onder
een bepaalde waarde daalt,
wordt het dimlicht automa-
tisch ingeschakeld (bv. in tun-
nels). Als wordt vastgesteld
dat er voldoende omgevings-
licht is, wordt de dagrijverlich-
ting weer ingeschakeld.
Als het dagrijlicht actief is,
brandt het controlelampje
van het dagrijlicht.
Handmatige bediening van
het licht bij ingeschakelde
automaat
Als de toets van het dagrij-
licht wordt ingedrukt, wordt
het dagrijlicht uitgeschakeld
en worden het dimlicht en
het stadslicht voor ingescha-
keld (bv. bij het inrijden van
tunnels, als de dagrijlichtau-
tomaat vanwege het omge-
vingslicht vertraagd reageert).
Als de toets voor het dagrij-
licht opnieuw wordt inge-
drukt, wordt de dagrijlicht-
automaat weer geactiveerd,
d.w.z. het dagrijlicht wordt
weer ingeschakeld als er vol-
doende omgevingslicht aan-
wezig is.
ALARMLICHTINSTALLATIE
Alarmlichtinstallatie bedienen
Het contact inschakelen.
De alarmknipperlichten
belasten de accu. De
waarschuwingsknipperlichten
slechts voor een beperkte
tijdsduur inschakelen.
Wanneer bij ingescha-
kelde alarmlichtinstal-
latie een richtingaanwijzer-
knop wordt ingedrukt, dan ver-
vangt de knipperfunctie gedu-
rende het indrukken de waar-
schuwingsfunctie. Als de rich-
tingaanwijzerknop niet meer
wordt ingedrukt, is de waar-
schuwingsfunctie weer actief.
De toets bedienen om de1
alarmlichtinstallatie in te scha-
kelen.
Het contact kan worden uit-
geschakeld.
73
Contact inschakelen en
toets opnieuw indrukken1
om de alarmknipperlichten uit
te schakelen.
RICHTINGAANWIJZERS
Richtingaanwijzer bedienen
Het contact inschakelen.
De toets naar links drukken1
om de richtingaanwijzers links
in te schakelen.
De toets naar rechts druk-1
ken om de richtingaanwijzers
rechts in te schakelen.
Toets in de middelste stand1
zetten om de richtingaanwij-
zers uit te schakelen.
Comfort-richtingaanwijzer
Als de toets naar rechts of1
links is gedrukt, schakelen de
richtingaanwijzers in de vol-
gende situaties automatisch uit:
Snelheid lager dan 30 km/h:
Na een traject van 50 m.
Snelheid tussen 30 km/h en
100 km/h: Na een snelheids-
afhankelijke afstand of bij ac-
celeratie.
Snelheid hoger dan
100 km/h: Na vijf keer
knipperen.
Als de toets iets langer naar1
rechts of links is gedrukt, scha-
kelen de richtingaanwijzers al-
leen nog automatisch na het
bereiken van het snelheidsaf-
hankelijke traject uit.
74 GEBRUIK
TRACTIECONTROLE (DTC)
DTC uitschakelen
Het contact inschakelen.
De Dynamic Traction Con-
trol (DTC) kan ook onder-
weg worden uitgeschakeld.
De toets ingedrukt houden1
tot de weergave van het DTC-
controlelampje verandert.
Meteen na het bedienen van
de toets wordt de DTC-sys-1
teemtoestand weergegeven.ON
brandt.
Mogelijke DTC-systeemtoe-
stand wordt weergege-OFF!
ven.
De toets na het omschake-1
len van de status loslaten.
brandt verder.
De nieuwe DTC-systeemtoe-
stand wordt kort weer-OFF!
gegeven.
De DTC-functie is uitgescha-
keld.
DTC inschakelen
De toets ingedrukt houden,1
tot de weergave van het DTC-
controlelampje verandert.
Meteen na het bedienen van
de toets wordt de DTC-sys-1
teemtoestand weergege-OFF!
ven.
gaat uit, bij een niet afge-
sloten zelfdiagnose gaat
deze knipperen.
Mogelijke DTC-systeemtoe-
stand wordt weergegeven.ON
De toets na het omschake-1
len van de status loslaten.
blijft gedoofd resp. knip-
pert verder.
De nieuwe DTC-systeemtoe-
stand wordt kort weergege-ON
ven.
De DTC-functie is ingescha-
keld.
75
ELEKTRONISCHE ONDER-
STELINSTELLING (D-ESA)
met Dynamic ESA SU
Instelmogelijkheden
Met behulp van de elektro-
nische onderstelinstelling
Dynamic ESA kunt u de
demping van het achterwiel
comfortabel aanpassen aan
de ondergrond. Er zijn drie
dempingsstanden en drie
veervoorspanningsstanden
beschikbaar.
Onderstelinstelling weergeven
Contact inschakelen ( 60).
De toets kort indrukken om1
de actuele instelling te laten
weergeven.
Direct na het bedienen van de
toets worden de onderstelin-1
stellingen voor de demping 2
en veervoorspanning weerge-3
geven.
De weergave wordt na korte
tijd automatisch weer verbor-
gen.
Onderstel instellen
Contact inschakelen ( 60).
De toets kort indrukken om1
de actuele instelling te laten
weergeven.
76 GEBRUIK
Om de demping in te stellen:
De toets zo vaak kort in-1
drukken tot de gewenste in-
stelling wordt weergegeven.
De demping kan tijdens
het rijden worden inge-
steld.
De selectiepijl wordt weerge-4
geven.
De selectiepijl verdwijnt na4
het wijzigen van de status.
De volgende instellingen zijn
mogelijk:
Road: Demping voor comfor-
tabele ritten over de weg
Dynamic: Demping voor dy-
namische ritten over de weg
Enduro: Demping voor ter-
reinritten. Is alleen in de rij-
modi of ENDURO ENDURO
PRO beschikbaar en kan in
deze rijmodi ook niet verder
worden afgesteld.
Er verschijnt een melding als
er in de geselecteerde rijmo-
dus geen instelling mogelijk is.
Voorbeeld: In de rijmodus
ENDURO demp. niet ver-
stelb.
Om de veervoorspanning in te
stellen:
Motor starten ( 131).
De toets zo vaak lang in-1
drukken, tot de gewenste in-
stelling wordt weergegeven.
De veervoorspanning kan
niet tijdens het rijden wor-
den ingesteld.
De volgende instellingen zijn
mogelijk:
Solo
Solo met bagage
Met passagier (en baga-
ge)
De volgende melding verschijnt
als er geen instelling mogelijk
is: Beladingsverstelling
alleen bij stilstand.
77
De selectiepijl wordt weerge-4
geven.
De selectiepijl verdwijnt na4
het wijzigen van de status.
De instelprocedure afwachten
alvorens verder te rijden.
Wordt de toets gedurende1
langere tijd niet ingedrukt,
dan worden de demping en
veervoorspanning ingesteld
zoals weergegeven.
RIJMODUS
Gebruik van de rijmodi
BMW Motorrad heeft voor uw
motorfiets gebruiksscenario's
ontwikkeld, waaruit u telkens
het scenario kunt kiezen dat bij
uw situatie past:
Standaard
RAIN: Rijden op een natgere-
gende rijbaan.
ROAD: Rijden op een droge
rijbaan.
met rijmodi Pro SU
Met rijmodi Pro
DYNAMIC: Dynamisch rijden
op droge rijbaan.
ENDURO: Terreinritten met
wegbanden.
ENDURO PRO: Terreinritten
met offroadbanden met grove
noppen.
Voor elk van deze scenario's
wordt het betreffende optimale
samenspel van motorkarakte-
ristiek, ABS-regeling en DTC-
regeling beschikbaar gesteld.
Meer informatie over de
te selecteren rijmodi is te
vinden in het hoofdstuk Tech-
niek in detail.
met Dynamic ESA SU
Ook de instellingen voor het rij-
wielgedeelte kunnen aan het
gewenste scenario worden
aangepast.
Voorselectie rijmodus
met rijmodi Pro SU
Met behulp van de voorselectie
rijmodus kunnen individueel
geprefereerde rijmodi al van
tevoren worden geselecteerd.
Er kunnen maximaal twee tot
vier rijmodi aan de voorselectie
rijmodus worden toegevoegd.
Fabrieksinstelling:
RAIN, ROAD, DYNAMIC en
ENDURO
78 GEBRUIK
Voorselectie rijmodus
configureren
met rijmodi Pro SU
Contact inschakelen ( 60).
Het menu Instellingen,
Voertuiginstellingen,
Rijmodusvoorkeuze op-
roepen.
Rijmodi voor voorselectie rij-
modus activeren of deactive-
ren.
De geactiveerde rijmodi kun-
nen worden geselecteerd.
Indien minder dan twee rij-
modi worden geactiveerd,
verschijnt de melding: Ac-
tie niet mogelijk. Min.
aantal bereikt.
Indien meer dan vier rijmodi
worden geactiveerd, verschijnt
de melding: Actie niet
mogelijk. Max. aantal
bereikt.
De rijmodi die in de voorse-
lectie rijmodus zijn ingesteld
blijven ook na het uitschake-
len van het contact behouden.
Rijmodus selecteren
Contact inschakelen ( 60).
De toets bedienen.1
De actieve rijmodus gaat2
naar de achtergrond en wordt
in de pop-up weergegeven.3
De oriëntatiehulp geeft aan4
hoeveel rijmodi er beschikbaar
zijn.
79
ATTENTIE
Inschakelen van de terrein-
modus (Enduro en Enduro
Pro) bij het rijden op de weg
Gevaar voor vallen door in-
stabiele rijtoestanden bij het
remmen resp. accelereren in
het regelgebied van ABS resp.
DTC
De terreinmodus (Enduro en
Enduro pro) uitsluitend bij
het terreinrijden inschakelen.
De toets zo vaak indrukken,1
tot de gewenste rijmodus in
de pop-up wordt weergege-
ven.
Afhankelijk van de rijmo-
dus, resp. diens configu-
ratie, kunnen de ingrepen van
de rijdynamiekregelsystemen
beperkt zijn.
Mogelijke beperkingen wor-
den aangegeven door een pop-
upmelding, bijv.. Attentie!
ABS & DTC instelling..
Meer informatie over de rij-
dynamiekregelsystemen, zo-
als ABS en DTC vindt u in het
hoofdstuk Techniek in detail.
met rijmodi Pro SU
De beschikbaarheid van de
rijmodi is afhankelijk van de
individuele configuratie van de
voorgeselecteerde rijmodus.
Als de motorfiets stilstaat
wordt de gekozen rijmodus
na circa 2 seconden geacti-
veerd.
De nieuwe rijmodus wordt tij-
dens het rijden geactiveerd,
als aan de volgende voor-
waarden is voldaan:
Gashendel staat in de statio-
naire stand.
Rem wordt niet bediend.
De Cruise Control is gedeacti-
veerd.
De ingestelde rijmodus met
de betreffende aanpassingen
van de motorkarakteristiek,
ABS, DTC en Dynamic ESA
blijft ook na het uitschakelen
van het contact bewaard.
RIJMODUS PRO
met rijmodi Pro SU
80 GEBRUIK
Instelmogelijkheden
De rijmodi PRO kunnen indivi-
dueel worden ingesteld.
Rijmodus ENDURO PRO
configureren
Contact inschakelen ( 60).
Het menu Instellingen,
Voertuiginstellingen,
Rijmodusvoorkeuze op-
roepen.
Rijmodus ENDURO PRO se-
lecteren en activeren.
Configuratie selecteren
en bevestigen.
Het systeem is gese-Engine
lecteerd. De actuele instelling
wordt als diagram met uitleg1
over het systeem weergege-2
ven.
Systeem selecteren en beves-
tigen.
De mogelijke instellingen 3
en de bijbehorende toelichtin-
gen kunnen worden doorge-4
bladerd.
Systeem instellen.
De systemen Engine, DTC
en kunnen op dezelfdeABS
manier worden ingesteld.
De instellingen kunnen te-
ruggezet worden naar de fa-
brieksinstellingen:
Instellingen rijmodus resetten
( 80).
Instellingen rijmodus resetten
ENDURO PRO configureren
( 80).
Terugzetten selecteren en
bevestigen.
Voor Rijmodus ENDURO PRO
gelden de volgende fabrieks-
instellingen:
DTC ENDURO PRO:
ABS ENDURO PRO:
Engine ROAD:
81
CRUISE CONTROL
met snelheidsregeling SU
Weergave bij het instellen
(Speed Limit Info niet actief)
Het symbool voor de cruise1
control verschijnt in het scherm
Pure Ride en in de bovenste
statusregel.
Weergave bij het instellen
(Speed Limit Info actief)
Het symbool voor de cruise1
control verschijnt in het scherm
Pure Ride en in de bovenste
statusregel.
Cruise control inschakelen
Voorwaarde
Pas na het uitschakelen van de
rijmodi Enduro of Enduro Pro is
de Cruise Control beschikbaar.
Schakelaar naar rechts1
schuiven.
De toets kan worden be-2
diend.
Snelheid in geheugen opslaan
De toets kort naar voren1
drukken.
Instelgebied van de
Cruise Control
30...210 km/h
82 GEBRUIK
Controlelampje voor
Cruise Control brandt.
De actuele snelheid wordt
aangehouden en in het ge-
heugen opgeslagen.
Accelereren
De toets kort naar voren1
drukken.
De snelheid wordt bij iedere
bediening met 1 km/h ver-
hoogd.
De toets naar voren gedrukt1
houden.
De snelheid wordt traploos
verhoogd.
Als toets niet meer wordt1
ingedrukt, wordt de bereikte
snelheid aangehouden en op-
geslagen.
Snelheid verlagen
De toets kort naar achteren1
drukken.
De snelheid wordt bij iedere
bediening met 1 km/h ver-
laagd.
De toets naar achteren ge-1
drukt houden.
De snelheid wordt traploos
verlaagd.
Als toets niet meer wordt1
ingedrukt, wordt de bereikte
snelheid aangehouden en op-
geslagen.
Cruise Control deactiveren
Remmen, koppeling of gas-
hendel (gas terugnemen tot
verder dan de basisstand) be-
dienen om de Cruise Control
te deactiveren.
Controlelampje voor Cruise
Control gaat uit.
84 GEBRUIK
De toets op de radiografi-1
sche sleutel tweemaal indruk-
ken.
De activering vraagt circa
30 seconden.
De richtingaanwijzers knippe-
ren tweemaal.
De bevestigingstoon klinkt
tweemaal (indien geprogram-
meerd).
De diefstalbeveiligingsinstalla-
tie is actief.
Om de bewegingssensor te
deactiveren (bijv. als de mo-
torfiets met een trein wordt
getransporteerd en de sterke
bewegingen een alarm kun-
nen activeren), de toets op1
de radiografische sleutel tij-
dens de activeringsfase op-
nieuw indrukken.
De richtingaanwijzers knippe-
ren driemaal.
De bevestigingstoon klinkt
driemaal (indien geprogram-
meerd).
De bewegingssensor is
gedeactiveerd.
Alarmsignaal
met alarmsysteem (DWA) SU
Het DWA-alarm kan worden
geactiveerd door:
Bewegingssensor
Inschakelpoging met een on-
bevoegde contactsleutel.
Loskoppeling van de DWA
van de voertuigaccu (de
DWA-accu neemt de stroom-
voorziening over - alleen
alarmtoon, richtingaanwijzers
knipperen niet)
met Keyless Ride SU
Wanneer de contactsleutel
zich in het ontvangstge-
bied bevindt, wordt een door
de hellingshoeksensor geacti-
veerd alarm onderdrukt.
Is de DWA-accu ontladen, dan
blijven alle functies behouden,
alleen de activering van het
alarm bij loskoppeling van de
voertuigaccu is niet meer mo-
gelijk.
De duur van het alarm bedraagt
circa 26 seconden. Tijdens het
alarm klinkt een alarmtoon en
knipperen de richtingaanwij-
zers. Het soort alarmtoon kan
door een BMW Motorrad Part-
ner worden ingesteld.
85
met Keyless Ride SU
Een geactiveerd alarm kan te
allen tijde door het indrukken
van de toets van de radiogra-2
fische sleutel worden afgebro-
ken, zonder de DWA te deacti-
veren.
Als in afwezigheid van de be-
rijder een alarm werd geacti-
veerd, dan wordt deze hier bij
het inschakelen van het contact
door een eenmalige alarmtoon
op geattendeerd. Vervolgens
signaleert de DWA-lichtdiode
gedurende een minuut de re-
den voor het alarm.
Lichtsignalen van het
controlelampje:
1x knipperen: Bewegingssen-
sor 1
2x knipperen: Bewegingssen-
sor 2
3x knipperen: Contact inge-
schakeld met onbevoegde
contactsleutel
4x knipperen: DWA losgekop-
peld van de voertuigaccu
5x knipperen: Bewegingssen-
sor 3
Deactivering
met alarmsysteem (DWA) SU
Contact inschakelen ( 60).
Richtingaanwijzers knipperen
eenmaal.
Bevestigingstoon klinkt
eenmaal (indien geprogram-
meerd).
De diefstalbeveiligingsinstalla-
tie is uitgeschakeld.
met Keyless Ride SU
Toets van de radiografische2
sleutel één keer indrukken.
Wanneer de alarmfunctie
via de radiografische sleu-
tel wordt gedeactiveerd en het
contact vervolgens niet wordt
ingeschakeld, wordt de alarm-
functie bij geprogrammeerde
"Activering na contact uit" na
circa 30 seconden automatisch
weer actief.
Richtingaanwijzers knipperen
eenmaal.
87
tot de gewenste bandenspan-
ning worden weergegeven.
Menu Instellingen,
Voertuiginstellingen,
RDC oproepen.
Waarsch. voorges. druk
in- of uitschakelen.
HANDVATVERWARMING
met handvatverwarmingen SU
Handvatverwarming bedienen
Motor starten ( 131).
De handvatverwarming is
alleen bij draaiende motor
beschikbaar.
Het door de handvatver-
warming veroorzaakte ho-
gere stroomverbruik kan bij
ritten met lage toerentallen tot
ontlading van de accu leiden.
Bij een te lage accuspanning
wordt ter behoud van de start-
capaciteit de handvatverwar-
ming uitgeschakeld.
De toets zo vaak indruk-1
ken tot de gewenste verwar-
mingsstand voor het sym-2
bool van de handvatverwar-
ming wordt weergegeven.3
De handvatten kunnen in drie
fasen worden verwarmd. Het
hoge verwarmingsvermogen
dient voor het snel opwarmen
van de handvatten, vervolgens
moet naar een geringer ver-
warmingsvermogen worden
teruggeschakeld.
Hoog verwarmingsvermo-
gen
Gemiddeld verwarmings-
vermogen
Laag verwarmingsvermo-
gen
Indien er geen wijzigingen
meer worden uitgevoerd,
wordt de gekozen verwar-
mingsstand ingesteld.
Om de handvatverwarming
uit te schakelen, de toets zo1
vaak indrukken tot het sym-
bool van de handvatverwar-
ming op het display niet3
meer wordt weergegeven.
BUDDYSEAT
Buddyseat uitbouwen
Voorwaarde
Motorfiets is neergezet, erop
letten dat de ondergrond vlak
en stevig is.
88 GEBRUIK
Buddyseatslot met contact-1
sleutel naar rechts draaien.
Buddyseat is ontgrendeld.
Buddyseat in de richting2
van de pijl uit de houders4 3
drukken.
Buddyseat in de richting
van de pijl afnemen en op5
de afstandsrubbers op een
schone ondergrond leggen.
Buddyseat inbouwen
Buddyseat in de richting2
van de pijl in de houders4 3
schuiven.
Buddyseat krachtig in de rich-
ting van de pijl drukken.5
De buddyseat klikt hoorbaar
vast.
89
TFTDISPLAY
05
ALGEMENE AANWIJZINGEN 92
PRINCIPE 93
AANZICHT PURE RIDE 100
ALGEMENE INSTELLINGEN 101
BLUETOOTH 102
MIJN VOERTUIG 106
BOORDCOMPUTER 109
NAVIGATIE 109
MEDIA 112
TELEFOON 113
SOFTWAREVERSIE WEERGEVEN 113
LICENTIE-INFORMATIE WEERGEVEN 114
92 TFTDISPLAY
ALGEMENE AANWIJZINGEN
Waarschuwing
WAARSCHUWING
Het bedienen van een smart-
phone tijdens het rijden
resp. bij draaiende motor
Gevaar voor een ongeval
Het geldige wegenverkeers-
reglement moet in acht wor-
den genomen.
Niet gebruiken (met uitzon-
dering van toepassingen
zonder bediening, zoals bij-
voorbeeld telefoneren via
handsfree-systeem) tijdens
het rijden.
WAARSCHUWING
Afleiding van de verkeers-
situatie en verlies van de
controle
Gevaar voor ongevallen door
de bediening van geïnte-
greerde informatiesystemen
en communicatieapparaten
tijdens het rijden
Bedien deze systemen of
apparaten alleen als de ver-
keerssituatie het toelaat.
Stop indien nodig en bedien
de systemen of apparaten
terwijl u stilstaat.
Connectivity-functies
Connectivity-functies hebben
betrekking op de onderwerpen
"Media", "Telefonie" en
"Navigatie". Connectivity-
functies kunt u gebruiken
als het TFTdisplay met een
mobiel eindapparaat en een
helm verbonden is ( 103).
Meer informatie over de
Connectivity-functies vindt u
op: bmwmotorrad.com
bmw-motorrad.com/connecti-
vity
Als de brandstoftank
zich tussen het mobiele
eindapparaat en het TFT-
display bevindt, kan de
Bluetooth-verbinding beperkt
zijn. BMW Motorrad adviseert
u het mobiele eindapparaat
boven de brandstoftank (bijv.
in een jaszak) op te bergen.
Afhankelijk van het mo-
biele eindapparaat kan de
omvang van de Connectivity-
functies beperkt zijn.
BMW Motorrad
Connected App
Met de BMW Motorrad Con-
nected App kan gebruiks- en
voertuiginformatie opgevraagd
worden. Voor het gebruik van
sommige functies, bijv. de navi-
gatie, moet de app op het mo-
93
biele eindapparaat geïnstalleerd
zijn en met het TFT-display ver-
bonden zijn. Met de app wordt
de routebegeleiding gestart en
de navigatie aangepast.
Bij sommige mobiele
eindapparaten, bijv. met
het besturingssysteem iOS,
moet voorafgaand aan het ge-
bruik de BMW Motorrad Con-
nected app worden geopend.
Actualiteit
Na de sluiting van de redac-
tie kan het TFT-display nog
bijgewerkt worden. Hierdoor
kunnen eventuele afwijkingen
tussen deze handleiding en
uw motorfiets ontstaan. Bij-
gewerkte informatie vindt u op:
bmw-motorrad.com/service
PRINCIPE
Bedieningselementen
Alle inhoud van het display kan
bediend worden via de Multi-
Controller en met de tuimel-1
toets MENU .2
Afhankelijk van de context zijn
de volgende functies mogelijk.
Functies van de Multi-
Controller
De Multi-Controller
omhoogdraaien:
Cursor in lijsten omhoog be-
wegen.
Instellingen doorvoeren.
Volume hoger zetten.
De Multi-Controller
omlaagdraaien:
Cursor in lijsten omlaag be-
wegen.
Instellingen doorvoeren.
Volume lager zetten.
94 TFTDISPLAY
De Multi-Controller naar links
drukken:
Functie overeenkomstig de
Check-Control-meldingen ac-
tiveren.
Functie naar links of terug ac-
tiveren.
Na de instellingen terugkeren
naar het menuscherm.
In het menuscherm: Een ni-
veau in de hiërarchie omhoog
gaan.
In het menu Mijn voertuig:
Een menupagina verder bla-
deren.
De Multi-Controller naar
rechts drukken:
Selectie bevestigen.
Instellingen bevestigen.
Een menustap verder blade-
ren.
In lijsten naar rechts scrollen.
In het menu Mijn voertuig:
Een menupagina verder bla-
deren.
Functies van de
tuimeltoets MENU
Navigatieaanwijzingen
verschijnen als dialoog,
als het menu nietNavigatie
is opgeroepen. De bediening
van de tuimeltoets MENU is tij-
delijk beperkt.
MENU kort aan de bovenzijde
indrukken:
In het menuscherm: Een ni-
veau in de hiërarchie omhoog
gaan.
In het scherm Pure Ride:
Weergave voor statusregel
wijzigen.
MENU lang aan de bovenzijde
indrukken:
In het menuscherm het
scherm Pure Ride openen.
In het scherm Pure Ride: Naar
de bedieningsfocus op de na-
vigator overschakelen.
MENU kort aan de onderzijde
indrukken:
Een niveau in de hiërarchie
omlaag gaan.
Geen functie als het onderste
niveau in de hiërarchie is be-
reikt.
MENU lang aan de onderzijde
indrukken:
Teruggaan naar het laatst ge-
opende menu, nadat eerst van
menu is gewisseld door de
tuimeltoets MENU lang aan de
bovenzijde ingedrukt te hou-
den.
95
Bedieningsaanwijzingen in het
hoofdmenu
Of er interacties mogelijk zijn
en welke er mogelijk zijn,
wordt weergegeven door
middel van bedieningsaanwij-
zingen.
Betekenis van de
bedieningsaanwijzingen:
Bedieningsaanwijzing 1: Het
linker einde is bereikt.
Bedieningsaanwijzing 2: Er
kan naar rechts worden ge-
bladerd.
Bedieningsaanwijzing 3: Er
kan naar beneden worden ge-
bladerd.
Bedieningsaanwijzing 4: Er
kan naar links worden gebla-
derd.
Bedieningsaanwijzing 5: Het
rechter einde is bereikt.
Bedieningsaanwijzingen in
submenu's
Buiten de bedieningsaanwijzin-
gen in het hoofdmenu zijn er in
de submenu's nog meer bedie-
ningsaanwijzingen te vinden.
Betekenis van de
bedieningsaanwijzingen:
Bedieningsaanwijzing 1: De
huidige weergave bevindt zich
in een hiërarchisch menu. Het
aantal symbolen geeft maxi-
maal drie submenuniveaus
aan. Het symbool geeft door
middel van een kleur aan of
er teruggekeerd kan worden
naar een hoger niveau.
Bedieningsaanwijzing 2: Er
kan nog een submenuniveau
worden opgeroepen.


Specyfikacje produktu

Marka: BMW
Kategoria: Silnik
Model: F 850 GS (2021)

Potrzebujesz pomocy?

Jeśli potrzebujesz pomocy z BMW F 850 GS (2021), zadaj pytanie poniżej, a inni użytkownicy Ci odpowiedzą




Instrukcje Silnik BMW

Instrukcje Silnik

Najnowsze instrukcje dla Silnik